Wetboek van Strafvordering

Inhoud

Artikel 6:2:18

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 04-02-2025.
  1. Onze Minister kan de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege beëindigen ten aanzien van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

  2. Toepassing van het eerste lid kan slechts geschieden ten aanzien van een vreemdeling voor wie door Onze Minister een passende voorziening in het land van herkomst is geregeld, gericht op in ieder geval vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar en die daadwerkelijk uit Nederland is uitgezet.

  3. Aan de beëindiging wordt de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert.

  4. Indien Onze Minister het voornemen heeft om toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid, stelt hij de veroordeelde van dit voornemen in kennis. Onze Minister kan over het voornemen tot toepassing van het eerste lid advies vragen aan het openbaar ministerie. In dat geval wordt het advies gevoegd bij de kennisgeving van het voornemen aan de veroordeelde.

  5. Tegen het voornemen van Onze Minister bedoeld in het vierde lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving hiervan een bezwaarschrift indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie heeft opgelegd.

  6. Het in het vijfde lid bedoelde gerecht onderzoekt zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift of Onze Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen. De veroordeelde wordt bij het onderzoek gehoord, althans opgeroepen. Indien de veroordeelde geen raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman. De artikelen 21 tot en met 25 zijn van overeenkomstige toepassing. Van zijn beslissing stelt het gerecht Onze Minister en de veroordeelde schriftelijk in kennis.

01-07-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 15-05-2025 Historisch 04-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-10-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-10-2023 Historisch 01-03-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 09-11-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 07-05-2021 Historisch 01-05-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 19-12-2020 Historisch 25-07-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2020.

Tekst van deze versie

  1. Onze Minister kan de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege beëindigen ten aanzien van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

  2. Toepassing van het eerste lid kan slechts geschieden ten aanzien van een vreemdeling voor wie door Onze Minister een passende voorziening in het land van herkomst is geregeld, gericht op in ieder geval vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar en die daadwerkelijk uit Nederland is uitgezet.

  3. Aan de beëindiging wordt de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert.

  4. Indien Onze Minister het voornemen heeft om toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid, stelt hij de veroordeelde van dit voornemen in kennis. Onze Minister kan over het voornemen tot toepassing van het eerste lid advies vragen aan het openbaar ministerie. In dat geval wordt het advies gevoegd bij de kennisgeving van het voornemen aan de veroordeelde.

  5. Tegen het voornemen van Onze Minister bedoeld in het vierde lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving hiervan een bezwaarschrift indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie heeft opgelegd.

  6. Het in het vijfde lid bedoelde gerecht onderzoekt zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift of Onze Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen. De veroordeelde wordt bij het onderzoek gehoord, althans opgeroepen. Indien de veroordeelde geen raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman. De artikelen 21 tot en met 25 zijn van overeenkomstige toepassing. Van zijn beslissing stelt het gerecht Onze Minister en de veroordeelde schriftelijk in kennis.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wetboek van Strafvordering