Wetboek van Strafvordering

Inhoud

Artikel 6:6:36

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-01-2024.
  1. Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft en verlenging in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de rechter de termijn van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, op vordering van het openbaar ministerie, eenmaal verlengen voor ten hoogste dezelfde tijd als waarvoor de maatregel was opgelegd. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel.

  2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, die later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de verdere ontwikkeling van de veroordeelde de verlenging van de maatregel eist.

  3. Bij de vordering worden overgelegd:

    1. een recent opgemaakt, met redenen omkleed advies, afkomstig van de raad voor de kinderbescherming;

    2. een afschrift van de aantekeningen omtrent het gedrag van de veroordeelde, afkomstig van de instelling of organisatie die belast is met de uitvoering van de maatregel.

  4. In de beslissing omtrent de verlenging geeft de rechter aan waaruit de verlenging van de maatregel bestaat. De verlenging kan inhouden dat het programma waaraan de veroordeelde deelneemt wordt verlengd. De verlenging kan ook inhouden dat de veroordeelde deelneemt aan een door de rechter aan te wijzen programma in een daarbij aan te wijzen inrichting of dat de veroordeelde een door de rechter aan te wijzen ambulant programma zal volgen onder begeleiding van een in de beslissing aangewezen organisatie.

  5. Artikel 77wa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:6:34 en 6:6:35 zijn van overeenkomstige toepassing.

01-07-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 15-05-2025 Historisch 04-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-10-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-10-2023 Historisch 01-03-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 09-11-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 07-05-2021 Historisch 01-05-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 19-12-2020 Historisch 25-07-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2020.

Tekst van deze versie

  1. Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft en verlenging in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de rechter de termijn van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, op vordering van het openbaar ministerie, eenmaal verlengen voor ten hoogste dezelfde tijd als waarvoor de maatregel was opgelegd. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel.

  2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, die later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de verdere ontwikkeling van de veroordeelde de verlenging van de maatregel eist.

  3. Bij de vordering worden overgelegd:

    1. een recent opgemaakt, met redenen omkleed advies, afkomstig van de raad voor de kinderbescherming;

    2. een afschrift van de aantekeningen omtrent het gedrag van de veroordeelde, afkomstig van de instelling of organisatie die belast is met de uitvoering van de maatregel.

  4. In de beslissing omtrent de verlenging geeft de rechter aan waaruit de verlenging van de maatregel bestaat. De verlenging kan inhouden dat het programma waaraan de veroordeelde deelneemt wordt verlengd. De verlenging kan ook inhouden dat de veroordeelde deelneemt aan een door de rechter aan te wijzen programma in een daarbij aan te wijzen inrichting of dat de veroordeelde een door de rechter aan te wijzen ambulant programma zal volgen onder begeleiding van een in de beslissing aangewezen organisatie.

  5. Artikel 77wa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:6:34 en 6:6:35 zijn van overeenkomstige toepassing.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wetboek van Strafvordering