Wetboek van Strafvordering

Inhoud

Artikel 6:6:8

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 25-07-2020.
  1. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat er op een van de gronden genoemd in artikel 6:2:12 reden is de voorwaardelijke invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege te laten, dient het onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering in.

  2. In de gevallen, bedoeld in artikel 6:2:6 is tot kennisneming van de vordering bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg heeft geoordeeld ter zake van het feit waarvoor de langste onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd.

  3. De vordering, bedoeld in het eerste lid, dient uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling te zijn ontvangen op de griffie van het gerecht. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering ontvankelijk, indien het aannemelijk maakt dat een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, zich pas nadien heeft voorgedaan.

  4. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan telkens opnieuw met een bepaalde termijn worden uitgesteld dan wel, nadat zij is uitgesteld, achterwege blijven. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  5. Hangende de beslissing van het gerecht wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.

01-07-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 15-05-2025 Historisch 04-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-10-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-10-2023 Historisch 01-03-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 09-11-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 07-05-2021 Historisch 01-05-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 19-12-2020 Historisch 25-07-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2020.

Tekst van deze versie

  1. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat er op een van de gronden genoemd in artikel 6:2:12 reden is de voorwaardelijke invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege te laten, dient het onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering in.

  2. In de gevallen, bedoeld in artikel 6:2:6 is tot kennisneming van de vordering bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg heeft geoordeeld ter zake van het feit waarvoor de langste onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd.

  3. De vordering, bedoeld in het eerste lid, dient uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling te zijn ontvangen op de griffie van het gerecht. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering ontvankelijk, indien het aannemelijk maakt dat een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, zich pas nadien heeft voorgedaan.

  4. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan telkens opnieuw met een bepaalde termijn worden uitgesteld dan wel, nadat zij is uitgesteld, achterwege blijven. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  5. Hangende de beslissing van het gerecht wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wetboek van Strafvordering