1. Onze Minister, de op grond van artikel 46 en 47 aangewezen ambtenaren en Onze Minister van Buitenlandse Zaken zijn ter uitvoering van Eurodac-verordening bevoegd biometrische gegevens af te nemen van de in artikel 13, eerste lid, van de Eurodac-verordening bedoelde personen voor de in dat artikellid genoemde doeleinden.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

    1. de wijze van het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens, bedoeld in het eerste lid; en

    2. de maatregelen als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Eurodac-verordening.