Vreemdelingenwet 2000 Actueel

Inhoud

Paragraaf 1

De verblijfsvergunning asiel

Artikel 27a

  1. Overeenkomstig artikel 4, eerste en derde lid, van de Procedureverordening is Onze Minister als beslissingsautoriteit en bevoegde autoriteit belast met de uitoefening van de taken en bevoegdheden die aan die autoriteiten worden toegekend door de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening.

  2. Overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de Procedureverordening zijn belast met de uitoefening van de daarin opgenomen taken en bevoegdheden:

    1. Onze Minister;

    2. Onze Minister van Justitie en Veiligheid;

    3. de korpschef;

    4. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

    5. de ambtenaren bedoeld in de artikelen 46, eerste lid, en 47, eerste lid.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toekenning van taken en bevoegdheden uit de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening.

Artikel 28

  1. Onze Minister is bevoegd:

    1. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in te willigen, af te wijzen, niet in behandeling te nemen, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel buiten behandeling te stellen;

    2. een verblijfsvergunning asiel in te trekken;

    3. ambtshalve een verblijfsvergunning asiel te verlenen aan:

      1. het gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft, die voldoet aan de in artikel 29c gestelde voorwaarden en die houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf;

      2. het gezinslid van een vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft, die voldoet aan de in artikel 29d gestelde voorwaarden en die houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf; of

      3. de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet, aan de vreemdeling, is overgedragen aan Nederland op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).

  2. De verblijfsvergunning die ambtshalve wordt verleend in de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, wordt verleend binnen twee weken nadat de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf zich overeenkomstig artikel 54, eerste lid, onderdeel e, heeft aangemeld.

Artikel 29

  1. Overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van de Procedureverordening kan Onze Minister een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de vreemdeling die op grond van de hoofdstukken II en III, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus, bedoeld in artikel 13 van de Kwalificatieverordening.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 29a

  1. Overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van de Procedureverordening kan Onze Minister een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 aan de vreemdeling verlenen die op grond van de hoofdstukken II en V, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor de subsidiairebeschermingsstatus, bedoeld in artikel 18 van de Kwalificatieverordening.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 29b

  1. Onze Minister kan een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 aan de vreemdeling verlenen die overeenkomstig artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor verblijf als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

  3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het verblijf van gezinsleden als bedoeld in artikel 9, zestiende lid, van de Hervestigingsverordening.

Artikel 29c

  1. Onze Minister kan krachtens artikel 13 van de Gezinsherenigingsrichtlijn een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de hierna te noemen gezinsleden van de vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling behoorden tot diens gezin en zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is verleend, dan wel binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd:

    1. de meerderjarige echtgenoot;

    2. het biologische of geadopteerde minderjarige kind;

    3. de ouders, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is;

    4. de minderjarige broer of zus, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is, die broer of zus gelijktijdig met een ouder, bedoeld in onderdeel c, de aanvraag heeft ingediend en ten laste komt van die ouder.

  2. De verblijfsvergunning asiel wordt niet geweigerd indien de overschrijding van de in het eerste lid bedoelde termijn op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 29d

  1. Onze Minister kan een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de gezinsleden, genoemd in artikel 29c, eerste lid, van de vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft, indien dat gezinslid op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling tot diens gezin behoorde.

  2. De verblijfsvergunning asiel, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd, indien:

    1. nog geen twee jaar zijn verstreken sinds de verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29a, aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid;

    2. de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

    3. de vreemdeling niet over huisvesting beschikt, waaronder mede wordt verstaan het verblijf op een doorstroomlocatie.

  3. Het tweede lid, onderdelen b en c, is niet van toepassing indien de vreemdeling een alleenstaande minderjarige is.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning asiel wordt verleend.

Artikel 30

  1. Onze Minister neemt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening, niet in behandeling wanneer op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 30a

  1. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk verklaren in de gevallen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Procedureverordening en verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk in de gevallen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Procedureverordening.

  2. Het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 30b

  1. Onze Minister kan een ongegronde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 overeenkomstig artikel 39, vierde lid, van de Procedureverordening afwijzen als kennelijk ongegrond, indien op het tijdstip van afronding van de behandeling een van de gevallen bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is.

  2. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 afwijzen als kennelijk ongegrond, indien reeds is vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de Kwalificatieverordening, overeenkomstig:

    1. artikel 40, vierde lid, van de Procedureverordening in de fase waarin de aanvraag expliciet wordt ingetrokken; of

    2. artikel 41, eerste en vijfde lid, van de Procedureverordening op het ogenblik waarop de aanvraag impliciet wordt ingetrokken.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.

Artikel 30c

  1. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 buiten behandeling stellen als:

    1. expliciet ingetrokken overeenkomstig artikel 40 van de Procedureverordening; of

    2. impliciet ingetrokken overeenkomstig artikel 41 van de Procedureverordening.

  2. Het besluit een aanvraag buiten behandeling te stellen, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.

Artikel 31

  1. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, 29a of 29b, overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de Procedureverordening afwijzen als ongegrond, indien de aanvrager op grond van de Kwalificatieverordening niet in aanmerking komt voor:

    1. de vluchtelingenstatus, bedoeld in artikel 13 van de Kwalificatieverordening;

    2. de subsidiairebeschermingsstatus, bedoeld in artikel 18 van de Kwalificatieverordening; of

    3. verblijf als gezinslid, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening.

  2. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29c of 29d afwijzen, indien niet wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.

  3. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 afwijzen als ongegrond, indien reeds is vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de Kwalificatieverordening, overeenkomstig:

    1. artikel 40, vierde lid, van de Procedureverordening in de fase waarin de aanvraag expliciet wordt ingetrokken; of

    2. artikel 41, eerste en vijfde lid, van de Procedureverordening op het ogenblik waarop de aanvraag impliciet wordt ingetrokken.

  4. Een aanvraag van een gezinslid als bedoeld in artikel 29c, eerste lid, tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29c of 29d, kan worden afgewezen, indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft of het desbetreffende gezinslid bijzondere banden heeft.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.

Artikel 32

  1. Onze Minister trekt de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29, in overeenkomstig de artikelen 65 en 66 van de Procedureverordening op grond van artikel 14 van de Kwalificatieverordening.

  2. Onze Minister trekt de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29a, in overeenkomstig de artikelen 65 en 66 van de Procedureverordening op grond van artikel 19 van de Kwalificatieverordening.

  3. Bij toepassing van het eerste, tweede of zesde lid, trekt Onze Minister gelijktijdig de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29b, 29c of 29d, in die is verleend aan het gezinslid van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning asiel met toepassing van het eerste of tweede lid is ingetrokken of ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan het zesde lid.

  4. Onze Minister kan de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29b, voorts intrekken in de gevallen bedoeld in artikel 23, derde tot en met vijfde lid, van de Kwalificatieverordening.

  5. Onze Minister kan de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29c en 29d voorts intrekken, indien:

    1. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid;

    2. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

    3. de gronden voor verlening, bedoeld in de artikelen 29c of 29d, zijn komen te vervallen;

    4. het gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met de vreemdeling die internationale bescherming geniet en die houder is van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a.

  6. Bij de afsluiting, bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de Procedureverordening, vermeldt Onze Minister dat in het dossier van de vreemdeling en vermeldt hij daarbij de rechtsgrond voor die afsluiting.

  7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over dit artikel.

Artikel 32a

Bij regeling van Onze Minister kunnen overeenkomstig artikel 64, eerste lid, van de Procedureverordening met het oog op de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 landen als veilig derde land of als veilig land van herkomst worden aangewezen, voor zover dat andere landen zijn dan die welke op het niveau van de Unie als zodanig zijn aangewezen.

← terug naar Vreemdelingenwet 2000