Wet op het primair onderwijs

Inhoud

Artikel 40a

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 12-06-2026.
Deze versie geldt vanaf 12-06-2026.
  1. Het bevoegd gezag stelt nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders een ontwikkelingsperspectief vast:

    1. voor leerlingen van een basisschool, die extra ondersteuning behoeven;

    2. voor leerlingen van een speciale school voor basisonderwijs.

  2. In afwijking van het eerste lid, wordt het deel van het ontwikkelingsperspectief betreffende de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 8, vierde lid, vastgesteld nadat hierover overeenstemming bereikt is tussen het bevoegd gezag en de ouders.

  3. Het ontwikkelingsperspectief wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na de inschrijving van de leerling vastgesteld. Indien het betreft een inschrijving op grond van artikel 40, zevende lid, wordt het ontwikkelingsperspectief uiterlijk binnen zes weken na de definitieve plaatsing van de leerling vastgesteld.

  4. Het bevoegd gezag evalueert het ontwikkelingsperspectief ten minste één keer per schooljaar met de ouders en de leerling.

  5. Nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders of nadat overeenstemming bereikt is met de ouders voor zover het betreft de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 8, vierde lid, kan het bevoegd gezag het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

  6. Het bevoegd gezag stelt het ontwikkelingsperspectief vast of stelt het bij nadat het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid heeft gesteld op een door de leerling te bepalen wijze vrijelijk zijn mening hierover naar voren te brengen. Het bevoegd gezag biedt de leerling daartoe de ondersteuning die hij nodig heeft.

  7. Het bevoegd gezag licht aan de leerling toe op welke wijze diens mening van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief.

  8. Het bevoegd gezag beschrijft in het ontwikkelingsperspectief:

    1. de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 8, vierde lid;

    2. indien van toepassing: de onderdelen van het onderwijsprogramma waarvan wordt afgeweken;

    3. de inbreng van de leerling, bedoeld in het zesde lid, en hoe deze van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief.

  9. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het ontwikkelingsperspectief.

12-06-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-08-2025 Historisch 13-06-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-08-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 13-06-2024 Historisch 01-05-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 11-10-2023 Historisch 01-08-2023 Historisch 09-07-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-08-2022 Historisch 14-07-2022 Historisch 08-07-2022 Historisch 01-04-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-08-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-02-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-04-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-08-2025.

Tekst van deze versie

  1. Het bevoegd gezag stelt nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders een ontwikkelingsperspectief vast:

    1. voor leerlingen van een basisschool, die extra ondersteuning behoeven;

    2. voor leerlingen van een speciale school voor basisonderwijs.

  2. In afwijking van het eerste lid, wordt het deel van het ontwikkelingsperspectief betreffende de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 8, vierde lid, vastgesteld nadat hierover overeenstemming bereikt is tussen het bevoegd gezag en de ouders.

  3. Het ontwikkelingsperspectief wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na de inschrijving van de leerling vastgesteld. Indien het betreft een inschrijving op grond van artikel 40, zevende lid, wordt het ontwikkelingsperspectief uiterlijk binnen zes weken na de definitieve plaatsing van de leerling vastgesteld.

  4. Het bevoegd gezag evalueert het ontwikkelingsperspectief ten minste één keer per schooljaar met de ouders en de leerling.

  5. Nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders of nadat overeenstemming bereikt is met de ouders voor zover het betreft de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 8, vierde lid, kan het bevoegd gezag het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

  6. Het bevoegd gezag stelt het ontwikkelingsperspectief vast of stelt het bij nadat het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid heeft gesteld op een door de leerling te bepalen wijze vrijelijk zijn mening hierover naar voren te brengen. Het bevoegd gezag biedt de leerling daartoe de ondersteuning die hij nodig heeft.

  7. Het bevoegd gezag licht aan de leerling toe op welke wijze diens mening van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief.

  8. Het bevoegd gezag beschrijft in het ontwikkelingsperspectief:

    1. de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 8, vierde lid;

    2. indien van toepassing: de onderdelen van het onderwijsprogramma waarvan wordt afgeweken;

    3. de inbreng van de leerling, bedoeld in het zesde lid, en hoe deze van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief.

  9. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het ontwikkelingsperspectief.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wet op het primair onderwijs