Wet op het primair onderwijs Actueel

Inhoud

§ 3

Besluit minister en taak gemeente bij onvoldoende onderwijsplaatsen

Artikel 193d

  1. Onze Minister kan op verzoek van het college van burgemeester en wethouders toestemming verlenen voor de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening door de bevoegde gezagen van de scholen in de gemeente.

  2. De toestemming wordt alleen verleend indien aannemelijk is dat:

    1. in de gemeente niet voor iedere nieuwkomer in basisonderwijs kan worden voorzien; of

    2. door de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening op doelmatigere wijze kan worden voorzien in het onderwijs aan nieuwkomers in een aangrenzende gemeente.

  3. De toestemming vervalt indien niet binnen acht weken melding is gemaakt van de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

  4. Onze Minister verbindt een termijn aan het bestaan van de tijdelijke nieuwkomersvoorziening. Onze Minister kan deze termijn verlengen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot verlenging.

Artikel 193e

  1. Onze Minister kan besluiten dat de bevoegde gezagen van de scholen in een gemeente binnen vier weken voorzien in voldoende onderwijsplaatsen voor nieuwkomers door de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

  2. Het besluit tot inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening wordt uitsluitend genomen, indien:

    1. vaststaat dat in de gemeente niet voor iedere nieuwkomer in basisonderwijs kan worden voorzien; en

    2. alleen nadat Onze Minister over het voornemen tot het nemen van het besluit overleg heeft gevoerd met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in het eerste lid.

  3. Het besluit tot inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan ook betrekking hebben op het bevoegd gezag van een school in een aangrenzende gemeente:

    1. indien door de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening in de aangrenzende gemeente op een meer doelmatige wijze kan worden voorzien in de vraag naar onderwijs van nieuwkomers in de gemeente bedoeld in het eerste lid; en

    2. Onze Minister over het voornemen tot het nemen van het besluit overleg heeft gevoerd met het college van burgemeester en wethouders van de aangrenzende gemeente.

  4. Artikel 193d, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  5. Het besluit tot inrichting van tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 193f

  1. Het college van burgemeester en wethouders maakt ter uitvoering van het besluit, bedoeld artikel 193e, eerste lid, onverwijld afspraken met de bevoegde gezagen van alle basisscholen in de gemeente over de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

  2. Indien op grond van artikel 193e, derde lid, het bevoegd gezag van een basisschool in een aangrenzende gemeente is aangewezen, maakt:

    1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in artikel 193e, eerste lid, onverwijld afspraken met het college van burgemeester en wethouders van de aangrenzende gemeente en met alle betrokken bevoegde gezagen over de verdeling van de leerlingen tussen de gemeenten en tussen de scholen;

    2. het college van burgemeester en wethouders van de aangrenzende gemeente onverwijld afspraken met het bevoegd gezag van de aangewezen school in die gemeente over de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van de afspraken, bedoeld in onderdeel a.

  3. In het geval de afspraken bedoeld in het eerste lid en tweede lid, onderdeel b, niet tot stand komen, wijst het college van burgemeester en wethouders een bevoegd gezag aan, niet zijnde het college van burgermeester en wethouders, dat onverwijld een tijdelijke nieuwkomersvoorziening inricht voor een school die het bevoegd gezag in de gemeente in stand houdt.

  4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de toestemming, bedoeld in artikel 193d, eerste lid.

  5. Een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan niet worden verbonden aan een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als bedoeld in artikel 10a, eerste en vierde lid.

  6. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de uitvoering van de afspraken.

← terug naar Wet op het primair onderwijs