Wet op het primair onderwijs Actueel

Inhoud

§ 1

Lichamelijke oefening

Artikel 126

  1. Het college van burgemeester en wethouders stelt na overleg met de bevoegde gezagen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal uren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste:

    1. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of

    2. voor bekostiging voor de exploitatie van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.

  2. Het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste 1,5 uur voor basisscholen en ten minste 2,25 uur voor speciale scholen voor basisonderwijs.

  3. Het college van burgemeester en wethouders stelt de hoogte vast van:

    1. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en

    2. de bekostiging voor de vaste kosten van de exploitatie van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school.

  4. De hoogte van de bekostiging, bedoeld in het derde lid, kan verschillend worden vastgesteld, afhankelijk van de oppervlakte van de ruimte en of de ruimte mede wordt bekostigd door het Rijk.

Artikel 127

  1. De gemeente verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening op het grondgebied van de gemeente

    1. een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 126, en

    2. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid vastgesteld bedrag.

  2. Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 126, eerste lid, onderdeel a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening een bedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 126, eerste lid, onderdeel b, en derde, lid, onderdeel a.

  3. Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 102, eerste lid, onderdeel i.

← terug naar Wet op het primair onderwijs