Wet op het primair onderwijs

Inhoud

Artikel 84a

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-07-2020.
  1. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden een nevenvestiging, of een deel van een school of nevenvestiging dat zich op een andere locatie bevindt dan de plaats van vestiging van die school of nevenvestiging, als school voor bekostiging in aanmerking brengen.

  2. Een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:

    1. voor zover het betreft de nieuwe school, de gegevens, bedoeld in artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, vijfde lid, of de gegevens, bedoeld in artikel 76, tweede lid,

    2. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen op het overblijvende deel van de school met uitzondering van nevenvestigingen, of, indien van toepassing, op het overblijvende deel van de nevenvestiging, en

    3. een opgave van het aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaand aan de aanvraag daadwerkelijk onderwijs volgde op het deel van de school waarop de aanvraag betrekking heeft.

  3. Bij de berekening van het aantal leerlingen dat de nieuwe school zal bezoeken, wordt artikel 78 niet toegepast, voor zover het plaatsruimte betreft op de nieuwe school.

  4. Onze Minister willigt de aanvraag slechts in, indien:

    1. aannemelijk is dat de nieuwe school gedurende 15 jaar na aanvang van de bekostiging zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de stichtingsnorm, bedoeld in artikel 77, tweede lid, en

    2. aannemelijk is dat de bekostiging van het overblijvende deel van de school, met inachtneming van de artikelen 154 tot en met 156, gedurende ten minste 15 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet, of

    3. indien van toepassing aannemelijk is dat de bekostiging van het overblijvende deel van de nevenvestiging, met inachtneming van artikel 158, gedurende ten minste 15 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet.

  5. Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend.

12-06-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-08-2025 Historisch 13-06-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-08-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 13-06-2024 Historisch 01-05-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 11-10-2023 Historisch 01-08-2023 Historisch 09-07-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-08-2022 Historisch 14-07-2022 Historisch 08-07-2022 Historisch 01-04-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-08-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-02-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-04-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-04-2020.

Tekst van deze versie

  1. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden een nevenvestiging, of een deel van een school of nevenvestiging dat zich op een andere locatie bevindt dan de plaats van vestiging van die school of nevenvestiging, als school voor bekostiging in aanmerking brengen.

  2. Een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:

    1. voor zover het betreft de nieuwe school, de gegevens, bedoeld in artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, vijfde lid, of de gegevens, bedoeld in artikel 76, tweede lid,

    2. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen op het overblijvende deel van de school met uitzondering van nevenvestigingen, of, indien van toepassing, op het overblijvende deel van de nevenvestiging, en

    3. een opgave van het aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaand aan de aanvraag daadwerkelijk onderwijs volgde op het deel van de school waarop de aanvraag betrekking heeft.

  3. Bij de berekening van het aantal leerlingen dat de nieuwe school zal bezoeken, wordt artikel 78 niet toegepast, voor zover het plaatsruimte betreft op de nieuwe school.

  4. Onze Minister willigt de aanvraag slechts in, indien:

    1. aannemelijk is dat de nieuwe school gedurende 15 jaar na aanvang van de bekostiging zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de stichtingsnorm, bedoeld in artikel 77, tweede lid, en

    2. aannemelijk is dat de bekostiging van het overblijvende deel van de school, met inachtneming van de artikelen 154 tot en met 156, gedurende ten minste 15 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet, of

    3. indien van toepassing aannemelijk is dat de bekostiging van het overblijvende deel van de nevenvestiging, met inachtneming van artikel 158, gedurende ten minste 15 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet.

  5. Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wet op het primair onderwijs