Wet personenvervoer 2000 Actueel

Inhoud

§ 3

Uitvoering verordening 1071/2009/EG en verordening 1073/2009/EG

Artikel 3a

Deze paragraaf is van toepassing op openbaar vervoer, anders dan per trein, en besloten busvervoer.

Artikel 4

  1. De communautaire vergunning is de Nederlandse vergunning voor de uitoefening van het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg, bedoeld in verordening 1071/2009/EG, voor het openbaar vervoer per bus en het besloten busvervoer, heeft een geldigheidsduur van maximaal vijf jaar en kan telkens voor maximaal vijf jaren worden verlengd.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt met het verrichten van besloten busvervoer gelijkgesteld het aanbieden van dat vervoer, tenzij dit aanbieden geschiedt door tussenpersonen die bemiddelen in dat vervoer bij wijze van dienstverlening of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf.

  3. Onze Minister is de bevoegde instantie voor verordening 1071/2009/EG.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur kan met inachtneming van artikel 1, vijfde lid, van verordening 1071/2009/EG vrijstelling van die verordening worden verleend.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven voor de eisen met betrekking tot betrouwbaarheid, vakbekwaamheid, vestiging en financiële draagkracht voor het openbaar vervoer anders dan per bus of per trein.

Artikel 4a

  1. Een vervoerder heeft geen toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer indien op basis van het tweede lid, artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur jegens de vervoerder toepassing vindt.

  2. Onze Minister weigert de verlening of verlenging van een communautaire vergunning of gaat over tot intrekking of schorsing van die vergunning in het geval en onder de voorwaarden van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  3. Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 4b

  1. Onze Minister weigert de verlening of verlenging van de communautaire vergunning indien de vervoerder niet of niet meer voldoet aan de vereisten voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer, bedoeld in artikel 3 van verordening 1071/2009/EG.

  2. Onze Minister verklaart een vervoersmanager ongeschikt om leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een vervoerder indien hij niet langer voldoet aan de eis van betrouwbaarheid van verordening 1071/2009/EG. Onze Minister stelt een termijn voor ongeschiktverklaring vast van twee jaar na de datum van ongeschiktverklaring.

  3. Onze Minister gaat over tot intrekking of schorsing van de communautaire vergunning volgens de daarvoor geldende procedure van verordening 1071/2009/EG indien de vervoerder definitief niet meer voldoet aan de vereisten voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer van die verordening.

  4. Onze Minister stelt bij een besluit tot intrekking van de communautaire vergunning een termijn voor rehabilitatie vast.

Artikel 5

  1. De voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis voor een vervoerder zijn:

    1. de overlegging van een niet ouder dan twee maanden zijnde met het oog op de uitoefening van de functie van wegvervoerder verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

    2. het ontbreken van een niet ouder dan twee jaar zijnde onherroepelijke rechterlijke uitspraak waarbij is vastgesteld dat de vervoerder de geldende voorschriften inzake de financiële loon- en arbeidsvoorwaarden niet is nagekomen;

    3. het ontbreken van een minder dan twee jaar oud zijnde onherroepelijke veroordeling en onherroepelijke sanctie jegens de vervoerder, wegens een van de zwaarste inbreuken op de regels van de Unie, die in bijlage IV van verordening 1071/2009/EG als zodanig is aangewezen;

    4. het aantal minder dan twee jaar oud zijnde onherroepelijke veroordelingen of onherroepelijke sancties jegens de vervoerder wegens de krachtens artikel 6, lid 2 bis, van verordening 1071/2009/EG aangewezen zware inbreuken op de regels van de Unie, overschrijdt niet de krachtens die verordening vastgestelde grenzen;

    5. de één of meer door de vervoerder aangewezen vervoersmanagers zijn niet ingevolge verordening 1071/2009/EG, door een bevoegde instantie voor die verordening, ongeschikt verklaard om de leiding te hebben over de vervoeractiviteiten van een vervoerder of zijn na een dergelijke ongeschiktverklaring gerehabiliteerd, en

    6. de overlegging door een uitvoerend directeur die belast is met het feitelijk leiding geven aan de vervoerder van een niet ouder dan twee maanden verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens met het oog op de uitoefening van de zijn functie.

  2. De voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis voor een vervoersmanager zijn:

    1. de overlegging van een niet ouder dan twee maanden zijnde met het oog op de uitoefening van de functie van vervoermanager verleende verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

    2. het ontbreken van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarbij hij de leiding had over vervoeractiviteiten van de betrokken vervoerder;

    3. het ontbreken van een minder dan twee jaar oud zijnde onherroepelijke veroordeling en onherroepelijke sanctie jegens hem, wegens een van de zwaarste inbreuken op de regels van de, die in bijlage IV van verordening 1071/2009/EG als zodanig is aangewezen;

    4. het aantal minder dan twee jaar oud zijnde onherroepelijke veroordelingen en onherroepelijke sancties jegens hem, wegens de krachtens artikel 6, lid 2 bis, van verordening 1071/2009/EG aangewezen zware inbreuken op de regels van de Unie, overschrijdt niet de daarvoor krachtens die verordening vastgestelde grenzen, en

    5. het ontbreken van een veroordeling en sanctie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, waarbij hij de leiding had over de vervoeractiviteiten van de betrokken vervoerder.

  3. De griffier van een gerecht als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie verstrekt aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie:

    1. een afschrift van een uitspraak waarbij is vastgesteld dat de vervoerder de geldende voorschriften inzake de financiële arbeidsvoorwaarden niet is nagekomen, en

    2. een uitspraak waarbij een in onderdeel a bedoelde uitspraak is vernietigd.

  4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen c en d, en het tweede lid, onderdelen c, d en e, worden veroordelingen en sancties die vóór 4 december 2011 onherroepelijk zijn geworden, niet in aanmerking genomen.

Artikel 5a

  1. Onze Minister verklaart in afwijking van artikel 5, eerste lid, een vervoerder die niet voldoet aan onderdelen b, c, of d van dat artikellid, toch als betrouwbaar, indien het verlies van de betrouwbaarheid een onevenredig strenge sanctie is.

  2. Onze Minister verklaart, in afwijking van artikel 5, tweede lid, een vervoersmanager, die niet voldoet aan onderdelen b, c, d, of e van dat artikellid, toch als betrouwbaar, indien het verlies van de betrouwbaarheid een onevenredig strenge sanctie is.

  3. De bekendmaking van een beschikking inhoudende het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoerder geschiedt in één geschrift met de bekendmaking van het daarmee samenhangende besluit tot schorsing of intrekking van de communautaire vergunning.

  4. De bekendmaking van een beschikking inhoudende het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoersmanager geschiedt in één geschrift met de bekendmaking van het daarmee samenhangende besluit tot ongeschiktverklaring van de vervoersmanager.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor de toepassing van het eerste en tweede lid waarbij wordt aangegeven wanneer het verlies van betrouwbaarheid in ieder geval een onevenredig strenge sanctie is.

  6. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp daarvoor aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 5b

  1. Een vervoerder waarvan de communautaire vergunning wegens het niet voldoen aan de betrouwbaarheidseis door Onze Minister is geschorst, is na het verstrijken van de termijn van die schorsing voor de toepassing van verordening 1071/2009/EG, verordening 1073/2009/EG en van deze wet gerehabiliteerd.

  2. Een vervoersmanager die vanwege het niet voldoen aan de betrouwbaarheidseis door Onze Minister ongeschikt is verklaard om de leiding te hebben over de vervoeractiviteiten van een vervoerder, is voor de toepassing van verordening 1071/2009/EG en van deze wet gerehabiliteerd:

    1. na het verstrijken van de termijn van ongeschiktverklaring; en

    2. nadat opnieuw de examens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 1071/2009/EG, met succes zijn afgelegd.

  3. Een vervoerder waarvan de communautaire vergunning vanwege het niet voldoen aan de betrouwbaarheidseis door Onze Minister is ingetrokken, is na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4b, vierde lid, voor de toepassing van verordening 1071/2009/EG, verordening 1073/2009/EG en van deze wet gerehabiliteerd.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere maatregelen voor rehabilitatie of maatregelen van gelijke werking en nadere regels voor de betrouwbaarheid worden vastgesteld.

  5. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp daarvoor aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 5c

  1. Onze Minister verwerkt persoonsgegevens ten behoeve van uitvoering van verordening 1071/2009/EG en verordening 1073/2009/EG en het bij of krachtens deze wet gestelde, in het bijzonder in het belang van de handhaving van de vereisten voor de toegang tot het beroep van vervoerder en de betrouwbaarheid van de vervoersmanager.

  2. Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke, voor de in het eerste lid bedoelde gegevens.

  3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gegeven voor de toepassing van het eerste lid.

Artikel 6

  1. Onze Minister wijst een exameninstituut aan dat verantwoordelijk is voor de organisatie en de certificering van de examens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 1071/2009/EG.

  2. Onze Minister kan de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, intrekken indien het exameninstituut zijn taak ernstig verwaarloost of niet voldoet aan artikel 8 en de bijlagen I tot en met III van verordening 1071/2009/EG.

Artikel 7

  1. Het is verboden openbaar vervoer anders dan per trein of besloten busvervoer te verrichten zonder geldige communautaire vergunning.

  2. Het is verboden openbaar vervoer anders dan per trein of besloten busvervoer te verrichten zonder de aanwezigheid in het voertuig van een eensluidend gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning, bedoeld in het eerste lid.

  3. Het is verboden een gewaarmerkt afschrift van een communautaire vergunning al dan niet tegen betaling ter beschikking te stellen van een derde ten behoeve van het verrichten van vervoer als bedoeld in het eerste lid.

  4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie door de houder van een communautaire vergunning een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning ter beschikking is gesteld.

  5. Ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling worden verleend van het eerste en tweede lid.

Artikel 8

  1. Onze Minister is de bevoegde instantie voor verordening 1073/2009/EG.

  2. Het is een in een lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde vervoerder, verboden om:

    1. geregeld vervoer als bedoeld in artikel 2 van verordening 1073/2009/EG te verrichten in strijd met het bij of krachtens die verordening bepaalde;

    2. een bijzondere vorm van geregeld vervoer als bedoeld in artikel 2 van verordening 1073/2009/EG te verrichten in strijd met het bij of krachtens die verordening bepaalde;

    3. ongeregeld vervoer als bedoeld in artikel 2 van verordening 1073/2009/EG te verrichten in strijd met het bij of krachtens die verordening bepaalde, en

    4. vervoer voor eigen rekening als bedoeld in artikel 2 van verordening 1073/2009/EG te verrichten in strijd met het bij of krachtens die verordening bepaalde.

  3. Op cabotagevervoer door een in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde vervoerder, dat in Nederland op grond van verordening 1073/2009/EG is toegestaan, is hoofdstuk III van deze wet niet van toepassing.

Artikel 9

  1. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de behandeling van een aanvraag tot verlening of wijziging van een communautaire vergunning of tot afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een communautaire vergunning.

  2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de vergoeding en de betaling daarvan die de aanvrager is verschuldigd voor:

    1. het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening, wijziging of verlenging van een op grond van verordening 1073/2009/EG te verlenen respectievelijk verleende vergunning voor geregeld vervoer;

    2. het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een afschrift van de vergunning, bedoeld in onderdeel a;

    3. het in behandeling nemen van een op grond van verordening 1073/2009/EG af te geven attest voor het vervoer voor eigenrekening, en

    4. het in behandeling nemen van een aanvraag voor een op grond van verordening 1073/2009/EG af te geven reisbladenboekje.

← terug naar Wet personenvervoer 2000