Wet personenvervoer 2000 Actueel

Inhoud

Hoofdstuk V

Taxivervoer

Artikel 75

  1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt met het verrichten van taxivervoer gelijkgesteld het aanbieden van dat vervoer, tenzij dit aanbieden geschiedt door tussenpersonen die bemiddelen in dat vervoer bij wijze van dienstverlening of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf.

  2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder «de vervoerder die taxivervoer verricht» verstaan: degene die taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto.

Artikel 76

  1. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe door Onze Minister verleende vergunning.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor onbepaalde tijd.

  3. De vervoerder die taxivervoer verricht, alsmede de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, draagt er zorg voor dat in de auto waarmee dat vervoer wordt verricht het vergunningbewijs zichtbaar voor de reiziger aanwezig is.

  4. Een in het eerste lid bedoelde vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid.

  5. Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het derde lid en van de in het vierde lid bedoelde eis van vakbekwaamheid.

  6. Een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het vijfde lid kan onder beperkingen worden verleend en er kunnen voorschriften aan worden verbonden.

Artikel 76a

  1. Een vergunning kan worden geweigerd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken. Een vergunning wordt geschorst voor bepaalde tijd.

  2. Een vergunning wordt steeds geweigerd indien binnen een periode van twee jaar direct voorafgaande aan de datum van indiening van een aanvraag voor een vergunning een eerder aan de aanvrager verleende vergunning is ingetrokken op grond van artikel 99, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b, voor zover het betreft de eis van betrouwbaarheid.

  3. De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

  5. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

  6. De beperkingen waaronder een vergunning wordt verleend en de aan een vergunning verbonden voorschriften kunnen ambtshalve of op aanvraag worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.

Artikel 76b

  1. Een vergunning vervalt van rechtswege:

    1. zes maanden na het overlijden of het intreden van wettelijke onbekwaamheid van degene aan wie de vergunning is verleend;

    2. zodra de rechtspersoon waaraan de vergunning is verleend, heeft opgehouden te bestaan;

    3. zodra de overeenkomst van de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap waaraan de vergunning is verleend, is ontbonden, of

    4. zodra degene aan wie de vergunning is verleend, zijn activiteiten als vervoerder heeft beëindigd.

  2. Belanghebbenden kunnen binnen zes maanden na het overlijden of na het intreden van de wettelijke onbekwaamheid bij Onze Minister een aanvraag indienen om de vergunning te stellen op naam van de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, op naam van de gezamenlijke erven, dan wel op naam van één of meer door de belanghebbenden aangewezen vertegenwoordigers.

  3. Onze Minister beslist binnen drie maanden op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid. Indien Onze Minister de aanvraag inwilligt, geschiedt dat voor een periode van ten hoogste één jaar na het verstrijken van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode.

  4. De in het derde lid bedoelde periode van één jaar kan door Onze Minister eenmaal met ten hoogste een half jaar worden verlengd.

  5. Het eerste lid vindt geen toepassing zolang Onze Minister nog niet onherroepelijk op de in het tweede lid bedoelde aanvraag heeft beslist.

Artikel 76c

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een vergunning en de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen over:

  1. de wijze waarop een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een vergunning wordt ingediend;

  2. de termijn waarbinnen op een aanvraag wordt beslist;

  3. de afgifte, geldigheid en het gebruik van vergunningbewijzen voor auto's, en

  4. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de behandeling van een aanvraag als bedoeld in onderdeel a en voor de afgifte van vergunningbewijzen.

Artikel 76d

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

    1. de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid;

    2. de vergoeding die is verschuldigd voor de behandeling van de aanvraag om verlening van een ontheffing alsmede voor afgifte van verklaringen van Onze Minister betreffende het voldoen aan eisen van vakbekwaamheid.

  2. Voor zover dit noodzakelijk is om vast te stellen of wordt voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, kan Onze Minister gegevens omtrent gedrag en strafvorderlijke en justitiële gegevens verwerken.

Artikel 76e

  1. Het is de houder van een vergunning verboden te handelen in strijd met een vergunning, de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, de aan een vergunning verbonden voorschriften en met de in artikel 76, zesde lid, bedoelde beperkingen en voorschriften.

  2. Het is de houder van een vergunning verboden een vergunningbewijs al dan niet tegen betaling ter beschikking te stellen van een derde ten behoeve van het verrichten van taxivervoer.

  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie door de houder van een vergunning een vergunningbewijs ter beschikking is gesteld.

Artikel 77

  1. De vervoerder die taxivervoer verricht voorziet, al dan niet in samenwerking met andere vervoerders, in het op verzoek behandelen van geschillen over de totstandkoming of de uitvoering van een vervoersovereenkomst als bedoeld in de artikelen 80, eerste lid, en 100, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, door instelling van een geschillencommissie.

  2. Artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid.

Artikel 78

  1. De vervoerder die taxivervoer verricht, maakt op een naar de aard van het vervoer geëigende wijze kenbaar op welke wijze klachten over het verrichten van taxivervoer worden behandeld.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid.

Artikel 79

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

    1. de inrichting, uitrusting en herkenbaarheid van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht;

    2. de keuring van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht;

    3. het kenbaar maken van tarieven aan de consument;

    4. de minimale beschikbaarheid van taxivervoer;

    5. de eisen en verplichtingen te stellen aan vervoerders die taxivervoer verrichten en aan bestuurders van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht;

    6. de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de onderdelen a tot en met e gestelde regels wordt voldaan;

    7. de vergoedingen die zijn verschuldigd voor de met de krachtens de paragrafen 1 tot en met 4 van dit hoofdstuk gestelde regels samenhangende werkzaamheden af te geven documenten;

    8. de administratie die de vervoerder voert ten behoeve van een doelmatig toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

  2. De in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedoelde regels over de inrichting en uitrusting kunnen mede betrekking hebben op:

    1. de aanwezigheid van apparatuur en voorzieningen ter registratie van ritten, tarieven, prijzen en arbeids- en rusttijden;

    2. het gebruik van zodanige apparatuur en voorzieningen met inbegrip van de afzonderlijke onderdelen daarvan;

    3. de keuring van zodanige apparatuur en voorzieningen dan wel de installatie daarvan.

  3. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen verschillen al naar gelang de aard van het taxivervoer of de locatie waar taxivervoer wordt verricht.

  4. Voor zover dit noodzakelijk is ter toetsing van de geschiktheid van bestuurders, kunnen in het kader van de in het eerste lid, onder e, bedoelde eisen en verplichtingen, onder meer gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming en het gedrag van bestuurders worden verwerkt. Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot toetsing aan deze eisen, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens.

Artikel 80

Het is verboden taxivervoer te verrichten in strijd met de bij of krachtens de artikelen 79, 81, 81a, 82a en 82b gestelde regels.

Artikel 81

  1. Met het oog op de inzichtelijkheid voor de consument worden bij ministeriële regeling regels gesteld over tarieven voor taxivervoer. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

    1. de wijze waarop het tarief is opgebouwd;

    2. de verplichting om de tariefopbouw toe te passen;

    3. een toe te passen maximumtarief.

  2. Het eerste lid heeft geen betrekking op tarieven voor taxivervoer dat wordt verricht ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst, waarbij gedurende een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgelegd tarief.

Artikel 81a

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over elektronische vervoerbewijzen, en daaraan te stellen eisen, voor taxivervoer. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

  1. de invoering, de vaststelling, de uitgifte, de exploitatie of het beheer van deze vervoerbewijzen;

  2. het gebruik, de geldigheid of de acceptatie;

  3. de erkenning van een of meer instellingen die deze vervoerbewijzen uitgeven, exploiteren of beheren, alsmede de voorschriften waaraan dergelijke instellingen moeten voldoen.

Artikel 82

  1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer.

  2. De in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en hebben geen betrekking op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en 82b.

Artikel 82a

  1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld over:

    1. de herkenbaarheid van een auto waarmee taxivervoer op de gemeentelijke openbare weg wordt aangeboden;

    2. de eisen en verplichtingen te stellen aan bestuurders van een in onderdeel a bedoelde auto;

    3. de indiening en behandeling van klachten van consumenten over taxivervoer;

    4. de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de ingevolge de onderdelen a tot en met c gestelde regels wordt voldaan;

    5. de vergoedingen die zijn verschuldigd voor de uitvoeringskosten die samenhangen met de krachtens deze paragraaf gestelde regels af te geven documenten en vergunningen en de uitvoeringskosten die samenhangen met de instandhouding van die documenten en vergunningen.

  2. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen verschillen al naar gelang de locatie waar taxivervoer wordt verricht.

  3. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op een verplichting voor de in dat lid bedoelde bestuurders om vanaf een of meer daartoe bij gemeentelijke verordening aangewezen locaties, consumenten op hun verzoek te vervoeren.

  4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid.

  5. De in het vierde lid bedoelde regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

    1. de voorwaarden en beperkingen van de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden;

    2. de aansluiting op bij of krachtens artikel 79 gestelde regels.

Artikel 82b

  1. Onverminderd artikel 82a kan bij of krachtens gemeentelijke verordening worden bepaald dat het gebruik van de bij die verordening te bepalen gemeentelijke openbare weg of delen daarvan, voor wat betreft het aldaar aanbieden van taxivervoer, uitsluitend is voorbehouden aan vervoerders en bestuurders van auto’s die taxivervoer verrichten die overeenkomstig de bij en krachtens dit artikel gestelde regels deel uitmaken van een organisatorisch verband.

  2. Het in het eerste lid bedoelde organisatorische verband heeft een verbetering van de kwaliteit van taxivervoer ten doel.

  3. Bij of krachtens een in het eerste lid bedoelde gemeentelijke verordening worden regels gesteld over de eisen aan en verplichtingen van het organisatorisch verband en de eisen aan en de verplichtingen van de vervoerders en de bestuurders van de in het eerste lid bedoelde auto’s die daar deel van uitmaken alsmede de regels die nodig zijn voor een goede uitvoering van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.

  4. De in het eerste lid bedoelde gemeentelijke verordening stelt regels over het minimum aantal binnen de gemeente betrokken organisatorische verbanden.

  5. De in het derde lid bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op verlening van vergunningen aan de in dit artikel bedoelde organisatorische verbanden en degenen die daarvan deel uitmaken, alsmede op de intrekking, wijziging en schorsing van die vergunningen. De artikelen 76a, derde lid, en 99, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  6. De in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen hebben in elk geval betrekking op de volgende onderwerpen:

    1. het bestuur en de organisatie van het verband;

    2. de juridische verhouding tussen het bestuur van het verband en de vervoerders en bestuurders van auto’s die daar deel van uitmaken;

    3. het gedrag van bestuurders van auto’s die taxivervoer verrichten;

    4. de herkenbaarheid van de auto’s waarmee taxivervoer wordt verricht;

    5. de wijze waarop de in het tweede lid bedoelde doelstelling met inachtneming van in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen, door het verband wordt uitgewerkt in een reglement;

    6. de instelling van privaatrechtelijke controles betreffende de nakoming van de in het reglement vastgelegde verplichtingen, door een of meer onafhankelijke en deskundige instanties en het optreden van het verband naar aanleiding van tijdens die controles geconstateerde onregelmatigheden;

    7. de registratie en behandeling van klachten van consumenten;

    8. de rapportage over de uitkomsten van de in onderdeel f bedoelde controles en het in dat onderdeel bedoelde optreden van het verband alsmede van de afhandeling van de in onderdeel g bedoelde klachten;

    9. opvolging van in het zevende lid bedoelde aanwijzingen;

    10. de wijze van vastlegging van en verantwoording over de in de onderdelen a tot en met i bedoelde eisen en verplichtingen door het organisatorisch verband.

  7. Het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente kan op de in het eerste lid bedoelde delen van de gemeentelijke openbare weg aanwijzingen geven aan de in het eerste lid bedoelde bestuurders van auto’s, voor zover dat ter plaatse noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de in het derde lid bedoelde eisen en verplichtingen.

  8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste en derde lid.

  9. De in het achtste lid bedoelde regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

    1. de voorwaarden en beperkingen van de toepassing van de in het eerste, derde en zevende lid, bedoelde bevoegdheden;

    2. de aansluiting op bij of krachtens artikel 79 gestelde regels.

  10. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten.

Artikel 82c

In afwijking van artikel 93 is het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de krachtens deze paragraaf gestelde verplichtingen.

← terug naar Wet personenvervoer 2000