Wet personenvervoer 2000 Actueel

Inhoud

§ 1

Toezicht en opsporing

Artikel 87

  1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, van verordening 1071/2009/EG en van verordening 1073/2009/EG zijn belast:

    1. de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen;

    2. de bij besluit van de bestuursorganen, bedoeld in artikel 20, tweede, derde en vierde lid, aangewezen personen, voor zover het de door hen verleende concessies betreft, voor het bepaalde bij of krachtens de artikelen 19, 29, 30 tot en met 40, 46 en 63c, eerste, tweede en derde lid, met uitzondering van openbaar vervoer per trein waarvoor op grond van deze wet Onze Minister het bevoegde bestuursorgaan is, en elfde lid voor zover niet de Autoriteit Consument en Markt is belast met dat toezicht en

    3. de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeenten aangewezen personen, voor zover het betreft het toezicht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 82a en 82b.

  2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, van verordening 1071/2009/EG en van verordening 1073/2009/EG zijn voorts belast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren en de met betrekking tot deze wet krachtens artikel 17, eerste lid, onder 2°, van de Wet op de economische delicten aangewezen ambtenaren.

  3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 70 tot en met 74 bepaalde mede belast personen die daartoe door de vervoerder zijn aangewezen.

  4. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij verordening 1371/2007/EG zijn de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen belast.

  5. In afwijking van het eerste en tweede lid is de Autoriteit Consument en Markt belast met het toezicht op de naleving van:

    1. het bepaalde krachtens artikel 30a, eerste en derde lid;

    2. artikel 63c, vierde, zesde tot en met tiende lid en elfde lid, onderdeel b, voor zover op dat vervoer artikel 87, vierde lid, bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, tweede of vierde lid, van toepassing is verklaard;

    3. vervallen;

    4. de bij ministeriële regeling aangewezen bindende EU-rechtshandelingen van algemene strekking van de Europese Commissie op het gebied van passagiersvervoerdiensten.

  6. Met het toezicht op de naleving van verordening (EU) nr. 181/2011 zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen.

  7. Op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze wordt mededeling gedaan van besluiten als bedoeld in het eerste, vierde of zesde lid.

Artikel 88

  1. Onze Minister kan met betrekking tot het toezicht op de naleving beleidsregels vaststellen.

  2. Beleidsregels die betrekking hebben op het toezicht, bedoeld in artikel 87, vijfde lid, worden vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 89

  1. Met het opsporen van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de met betrekking tot deze wet krachtens artikel 17, eerste lid, onder 2°, van de Wet op de economische delicten aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

  2. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn voorts belast de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk aangewezen personen.

  3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 90

De in artikel 87 bedoelde ambtenaren en personen beschikken niet over de bevoegdheden, bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 91

De artikelen 5:12, 5:13, 5:15 tot en met 5:17, 5:19 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in artikel 89 bedoelde ambtenaren en personen.

Artikel 92

De reiziger die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van de artikelen 87 en 89 bedoelde ambtenaren en personen die hebben vastgesteld dat de reiziger heeft gehandeld in strijd met de artikelen 70 of 71, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.

← terug naar Wet personenvervoer 2000