Wet basisregistratie personen

Inhoud

Artikel 3.22

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-01-2022.
  1. Het college van burgemeester en wethouders deelt aan de betrokkene in verband met de uitoefening van het recht van inzage, bedoeld in artikel 15 van de verordening, op diens verzoek binnen vier weken mede of hem betreffende gegevens gedurende twintig jaren voorafgaande aan het verzoek uit de basisregistratie zijn verstrekt aan een overheidsorgaan of derde.

  2. Indien zodanige verstrekking is geschied, doet het college daarvan desgevraagd binnen vier weken na ontvangst van het verzoek mededeling aan de verzoeker.

  3. Het college voldoet niet aan het in het eerste en tweede lid bedoelde verzoek voor zover:

    1. van de verstrekking geen aantekening is gehouden krachtens artikel 3.11, tweede lid;

    2. dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan nader geregeld worden in welke gevallen toepassing gegeven moet worden aan het derde lid, onderdeel b.

  5. Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

11-11-2025 Huidig 12-02-2025 Historisch 01-10-2023 Historisch 15-05-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 22-10-2022 Historisch 01-03-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-07-2021.

Tekst van deze versie

  1. Het college van burgemeester en wethouders deelt aan de betrokkene in verband met de uitoefening van het recht van inzage, bedoeld in artikel 15 van de verordening, op diens verzoek binnen vier weken mede of hem betreffende gegevens gedurende twintig jaren voorafgaande aan het verzoek uit de basisregistratie zijn verstrekt aan een overheidsorgaan of derde.

  2. Indien zodanige verstrekking is geschied, doet het college daarvan desgevraagd binnen vier weken na ontvangst van het verzoek mededeling aan de verzoeker.

  3. Het college voldoet niet aan het in het eerste en tweede lid bedoelde verzoek voor zover:

    1. van de verstrekking geen aantekening is gehouden krachtens artikel 3.11, tweede lid;

    2. dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan nader geregeld worden in welke gevallen toepassing gegeven moet worden aan het derde lid, onderdeel b.

  5. Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wet basisregistratie personen