Wet basisregistratie personen Actueel

Inhoud

§ 2

De verstrekking door de colleges van burgemeester en wethouders

Artikel 3.4

  1. Deze paragraaf is van toepassing op de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie, anders dan de systematische verstrekking, bedoeld in paragraaf 1.

  2. Krachtens deze paragraaf kunnen gegevens worden verstrekt over alle ingeschrevenen.

Artikel 3.5

  1. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt op verzoek van een overheidsorgaan aan hem gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van zijn taak.

  2. Het verzoek bevat de gronden voor de verstrekking.

  3. Voor zover krachtens het bepaalde in deze paragraaf gegevens kunnen worden verstrekt, wordt op verzoek een gewaarmerkt afschrift van de in het verzoek aangewezen gegevens verstrekt.

  4. Het college weigert het verzoek indien de gevraagde gegevensverstrekking zodanig is dat verstrekking op grond van paragraaf 1 aangewezen is. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent gevallen waarin het college het verzoek moet weigeren.

Artikel 3.6

  1. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt op verzoek van een derde aan hem gegevens voor zover:

    1. het gebruik van die gegevens is voorgeschreven in een algemeen verbindend voorschrift,

    2. de derde voorafgaande schriftelijke toestemming heeft van de ingeschrevene over wie gegevens worden verstrekt, of

    3. de verstrekking in overeenstemming is met het tweede lid.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang aangewezen, ten behoeve waarvan gegevens uit de basisregistratie kunnen worden verstrekt. De maatregel bepaalt tevens de categorieën van derden die voor de verstrekking in aanmerking komen en bepaalt of artikel 3.21 op de verstrekking van toepassing is. De maatregel kan beperkingen bevatten ten aanzien van de gegevens die kunnen worden verstrekt.

  3. Artikel 3.3, tweede lid en artikel 3.5, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  4. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

← terug naar Wet basisregistratie personen