Wegenverkeerswet 1994 Actueel

Inhoud

§ 2

Bestuurlijke boete

Artikel 174b

  1. De Dienst Wegverkeer kan in verband met het verlenen van een goedkeuring als bedoeld in artikel 21, tweede lid, of de schorsing of intrekking van een goedkeuring, aan degene die handelt in strijd met de verplichtingen en verboden in de bij of krachtens artikel 29, derde lid, en 31, genoemde artikelen van een EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen of met de bij of krachtens in de artikelen 21, derde lid, onderdeel b, 25, 27, en 30, derde lid, bedoelde verplichtingen en verboden, een bestuurlijke boete opleggen.

  2. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van de bij of krachtens artikel 31 genoemde artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen kan worden opgelegd, komt overeen met ten hoogste een boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van de bij of krachtens artikel 29, derde lid, genoemde artikelen van een EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, artikel 21, derde lid, onderdeel b, 25, 27 of 30, derde lid, kan worden opgelegd, komt overeen met ten hoogste een boete van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  4. De op te leggen bestuurlijke boete kan met maximaal 50% worden verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van maximaal 24 maanden voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is geworden.

Artikel 174c

  1. Onverminderd 174b kan Onze Minister in verband met het markttoezicht, bedoeld in artikel 158a, aan degene die handelt in strijd met de verplichtingen en verboden in de bij of krachtens artikel 29 genoemde artikelen van een EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, of met de bij of krachtens de in de artikelen 25, 27, 29a, 30, 30a, 34, 34a en 35 bedoelde verplichtingen en verboden, een bestuurlijke boete opleggen.

  2. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 34 of artikel 34a kan worden opgelegd, komt overeen met ten hoogste een boete van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van de bij of krachtens artikel 29, tweede lid, genoemde artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen of artikel 30, tweede lid, kan worden opgelegd, komt overeen met ten hoogste een boete van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  4. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van de bij of krachtens artikel 29, eerste lid, genoemde artikelen van een EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen of artikel 30, eerste lid, kan worden opgelegd, komt overeen met ten hoogste een boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  5. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van de bij of krachtens artikel 29, derde lid, genoemde artikelen van een EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, of de artikelen 25, 27, 29a, 30, derde lid, of 35 kan worden opgelegd, komt overeen met ten hoogste een boete van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  6. De op te leggen bestuurlijke boete kan met maximaal 50% worden verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van maximaal 24 maanden voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is geworden.

Artikel 174d

  1. De Dienst Wegverkeer kan in verband met een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue aan degene die handelt in strijd met de in artikel 4aui van deze wet en artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde verplichtingen en verboden een bestuurlijke boete opleggen.

  2. De Dienst Wegverkeer kan in verband met een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue aan degene die handelt in strijd met voorwaarden voor het behouden van een erkenning als bedoeld in artikel 4aud, tweede lid, en voorwaarden voor het behouden van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue, derde lid, een bestuurlijke boete opleggen, voor zover het in strijd handelen met de desbetreffende voorwaarde daarbij uitdrukkelijk als beboetbaar feit is aangemerkt.

  3. De hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 4aui van deze wet kan worden opgelegd, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor:

    1. de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht voor een natuurlijke persoon zonder onderneming;

    2. de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht voor een natuurlijke persoon met een onderneming;

    3. de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht voor een rechtspersoon.

  4. De hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding als bedoeld in het tweede lid kan worden opgelegd wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald, met dien verstande dat de hoogte van de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen bestuurlijke boete ten hoogste bedraagt het bedrag dat is vastgesteld voor:

    1. de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht voor een bevoegde natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 4aue, eerste lid;

    2. de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht voor een erkenninghouder die een natuurlijke persoon is;

    3. de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht voor een erkenninghouder die een rechtspersoon is.

  5. De hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden opgelegd, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  6. De op te leggen bestuurlijke boete kan met maximaal 50% worden verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van maximaal 24 maanden voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is geworden.

← terug naar Wegenverkeerswet 1994