Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Inhoud

Artikel 196

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-07-2026.
Deze versie geldt vanaf 01-07-2026.
  1. Voordat een zaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. De wederpartij en andere belanghebbenden kunnen volgend op dat verzoek ook een of meer voorlopige bewijsverrichtingen verzoeken, waarna de rechter deze gezamenlijk kan behandelen.

  2. De rechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:

    1. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;

    2. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;

    3. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;

    4. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of

    5. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.

01-07-2026 Huidig 04-06-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 08-03-2025 Historisch 04-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 08-11-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-07-2023 Historisch 25-06-2023 Historisch 01-05-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 28-12-2022 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-05-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-04-2021 Historisch 20-01-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-10-2020 Historisch 30-07-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2025.

Tekst van deze versie

  1. Voordat een zaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. De wederpartij en andere belanghebbenden kunnen volgend op dat verzoek ook een of meer voorlopige bewijsverrichtingen verzoeken, waarna de rechter deze gezamenlijk kan behandelen.

  2. De rechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:

    1. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;

    2. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;

    3. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;

    4. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of

    5. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering