Bij strafrechtelijke vervolging van een persoon wegens een feit vallende in de bepaling van een misdrijf of van een der overtredingen bedoeld in de artikelen 451 en 452, kan de rechter, indien het gehouden onderzoek daartoe aanleiding geeft, de schuldige bij zijn uitspraak voor een termijn van ten hoogste één jaar onder toezicht stellen op de in artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES omschreven grond.
Zo spoedig mogelijk nadat de uitspraak, houdende de ondertoezichtstelling, onherroepelijk is geworden, doet het openbaar ministerie daarvan mededeling aan de rechter in het gerecht in eerste aanleg, bevoegd was overeenkomstig artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, die alsdan, zo mogelijk na overleg met degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent, onverwijld een gezinsvoogd aanwijst, als bedoeld bij artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES. Van deze aanwijzing wordt onverwijld bij exploit aan de ouder of voogd kennis gegeven, met de mededeling, dat hij zich bij de opvoeding van het kind naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd heeft te gedragen, behoudens beroep op de rechter in het gerecht in eerste aanleg.
De bepalingen betreffende de ondertoezichtstelling, voorkomende in de artikelen 255, tweede en derde lid, 256, 258–265 en 326 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES en in de artikelen 798–813 in verbinding met de artikelen 429a–429t van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, zijn ten deze van toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van de duur der ondertoezichtstelling deze geacht wordt aan te vangen op de dag der aanwijzing van de gezinsvoogd.