Wetboek van Strafrecht BES Actueel

Inhoud

Titel XV

Verlating van hulpbehoevenden

Artikel 267

Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of eene overeenkomst verplicht is, in een hulpeloozen toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de eerste categorie.

Artikel 268

Hij die een kind beneden den leeftijd van zeven jaren te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

Artikel 269

Indien een der in de artikelen 267 en 268 omschreven feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Indien een dezer feiten den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Artikel 270

Indien de schuldige aan het in artikel 268 omschreven misdrijf de vader of de moeder is, kunnen te zijnen aanzien de in de artikelen 268 en 269 bepaalde straffen met een derde worden verhoogd.

Artikel 271

Indien de moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind kort na de geboorte te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt het maximum der in de artikelen 268 en 269 vermelde straffen tot de helft verminderd.

Artikel 272

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 268–271 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 32 N°. 4 vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 272bis

Hij, die bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak veroordeeld zijnde om aan iemand levensonderhoud te verschaffen of om een bepaald bedrag te betalen voor de verzorging en de opvoeding van een minderjarige kind, hiermede opzettelijk geheel of gedeeltelijk in gebreke is gebleven gedurende een tijdsverloop van twee maanden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of met geldboete van de eerste categorie.

Artikel 272ter

Hij, aan wiens schuld te wijten is, dat hij, bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak veroordeeld zijnde om aan iemand levensonderhoud te verschaffen of om een bepaald bedrag te betalen voor de verzorging en de opvoeding van een minderjarig kind, hiermede geheel of gedeeltelijk in gebreke is gebleven gedurende een tijdsverloop van twee maanden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of met geldboete van de eerste categorie.

← terug naar Wetboek van Strafrecht BES