1. De bevoegde autoriteit kan een lid van het bestuur van een essentiële entiteit of belangrijke entiteit een bestuurlijke boete opleggen in geval van:

    1. overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 24, tweede tot en met zesde lid;

    2. overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  2. De boete, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste € 25.000,–.

  3. De werking van het besluit tot oplegging van de boete wordt opgeschort totdat het besluit onherroepelijk is.

  4. Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot invordering van de boete.

  5. Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing op de overtreding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.