1. De organisaties, niet zijnde essentiële entiteiten of belangrijke entiteiten, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 106 vitale aanbieder dan wel andere aanbieder die onderdeel is van de Rijksoverheid zijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen, zoals die wet luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 106, hebben recht op:

    1. bijstand bij het treffen van maatregelen om de continuïteit van hun diensten te waarborgen of te herstellen door Onze Minister of een andere in afwijking hiervan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur hiervoor aan te wijzen instantie; en

    2. informatie en advies over dreigingen en incidenten met betrekking tot hun netwerk- en informatiesystemen van Onze Minister of een andere in afwijking hiervan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur hiervoor aan te wijzen instantie.

  2. Onze Minister onderscheidenlijk de andere instantie, bedoeld in het eerste lid, verricht ten behoeve van het uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde taken analyses en technisch onderzoek, naar aanleiding van de in het eerste lid genoemde dreigingen en incidenten of aanwijzingen daarvoor, niet zijnde onderzoek naar personen of organisaties die voor die dreigingen en incidenten verantwoordelijk zijn of die daar anderszins aan bijdragen of hebben bijgedragen.

  3. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel e, en derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «CSIRT» wordt verstaan: Onze Minister of de andere instantie, bedoeld in het eerste lid.

  4. Onze Minister onderscheidenlijk de andere instantie, bedoeld in het eerste lid, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de in het eerste tot en met derde lid bedoelde taken.