-
Bij het vaststellen van een programma wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
-
Als een programma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, het algemeen bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten, wordt daarbij aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.
Omgevingsbesluit Actueel
Inhoud
Afdeling 10.4
Artikel 10.9
Het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap en gedeputeerde staten of provinciale staten verstrekken aan Onze Minister die het aangaat de benodigde gegevens over:
een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet voor zover dat is gericht op het voldoen aan een omgevingswaarde voor de kwaliteit van de buitenlucht;
een stroomgebiedsbeheerplan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder a, van de wet;
een overstromingsrisicobeheerplan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder b, van de wet;
een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder c, van de wet;
een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet; of
een actieplan geluid als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.9, eerste lid, van de wet.
Artikel 10.10
Bij de totstandkoming van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, voor zover dat is gericht op het voldoen aan een omgevingswaarde voor de kwaliteit van de buitenlucht, overlegt het college van burgemeester en wethouders of het op grond van artikel 4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen bestuursorgaan met de bevoegde autoriteiten van andere staten als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door grensoverschrijdende emissies.
Artikel 10.10a
Het nationale nec-programma wordt geactualiseerd:
elke vier jaar; en
binnen achttien maanden na de indiening van de nationale emissie-inventarissen en nationale emissieprognoses, bedoeld in artikel 11.21, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als blijkt dat de emissiereductieverbintenissen en de verplichting om maatregelen te treffen, bedoeld in artikel 4 van die richtlijn, niet worden nagekomen, of als het gevaar bestaat dat dit het geval zal zijn.
Artikel 10.11
-
Bij de totstandkoming van stroomgebiedsbeheerplannen en overstromingsrisicobeheerplannen als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder a en b, van de wet voor de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems voor zover die betrekking hebben of ook betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met:
de bevoegde autoriteiten van andere staten in die stroomgebiedsdistricten;
het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten als een stroomgebiedsdistrict of een gedeelte daarvan op het grondgebied van dat waterschap of die provincie ligt; en
vertegenwoordigers van gemeenten.
-
Een stroomgebiedsbeheerplan en een overstromingsrisicobeheerplan worden elke zes jaar geactualiseerd.
Artikel 10.12
-
Bij de totstandkoming van een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder c, van de wet overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten van dezelfde mariene subregio.
-
Het programma van maatregelen mariene strategie wordt elke zes jaar geactualiseerd.
-
Het programma van maatregelen mariene strategie is operationeel uiterlijk een jaar na de actualisatie, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 10.13
-
Bij de totstandkoming van de initiële beoordeling, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten van dezelfde mariene subregio.
-
De initiële beoordeling, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen worden elke zes jaar geactualiseerd.
Artikel 10.14
-
Bij de totstandkoming van het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 11.38, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten van dezelfde mariene subregio.
-
Het monitoringsprogramma wordt elke zes jaar geactualiseerd.
Artikel 10.15
-
Bij de totstandkoming van een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bevoegde autoriteiten van andere staten die aan de Nederlandse mariene wateren grenzen, onder meer over het gebruik van de best beschikbare gegevens en de uitwisseling van informatie.
-
Een maritiem ruimtelijk plan wordt elke tien jaar geactualiseerd.
Artikel 10.16
-
Bij de totstandkoming van het nationale waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de wet, overlegt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat met:
de bevoegde autoriteiten van andere staten;
het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten als de rijkswateren of een gedeelte daarvan op het grondgebied van dat waterschap of die provincie liggen; en
vertegenwoordigers van gemeenten.
-
Een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet, een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van de wet en het nationale waterprogramma worden elke zes jaar geactualiseerd.
-
Maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder a, 4.4, derde lid, onder a, of 4.10, derde lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn opgenomen in een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma, zijn operationeel uiterlijk drie jaar na de actualisatie, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 10.17
-
Bij de totstandkoming van een actieplan als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.9, eerste lid, van de wet overlegt het bevoegd gezag met de bevoegde autoriteiten van de aangrenzende staten voor zover het actieplan ook betrekking heeft op een grensregio.
-
Een actieplan wordt geactualiseerd uiterlijk op 18 juli in elk vijfde kalenderjaar na 2024. Als er sprake is van een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de geluidhindersituatie wordt het actieplan zo nodig tussentijds geactualiseerd. Een tussentijdse actualisatie van een actieplan laat onverlet de verplichting genoemd in de eerste volzin.
Artikel 10.17a
-
Het nationaal renovatieplan gebouwen, bedoeld in artikel 3.9, vijfde lid, van de wet, wordt elke vijf jaar geactualiseerd.
-
Het eerste nationale renovatieplan gebouwen wordt vastgesteld uiterlijk op 31 december 2026.
Artikel 10.18
-
Een beheerplan voor een Natura 2000-gebied als bedoeld in de artikelen 3.8, derde lid, en 3.9, derde lid, van de wet wordt elke zes jaar geactualiseerd.
-
Het eerste beheerplan Natura 2000 wordt vastgesteld uiterlijk drie jaar na dagtekening van het besluit tot aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied, bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet.
Artikel 10.19
Het programma stikstofreductie en natuurverbetering wordt ten minste elke zes jaar geactualiseerd.
Artikel 10.19a
-
Als uit de monitoring, bedoeld in artikel 11.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of uit de gegevensverzameling, bedoeld in artikel 11.69a van dat besluit, blijkt dat ondanks alle maatregelen die al zijn getroffen een instandhoudingsdoelstelling voor een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied niet kan worden bereikt of alleen met een onevenredige inspanning kan worden bereikt als gevolg van stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door bronnen in andere lidstaten van de Europese Unie, overlegt Onze Minister voor Natuur en Stikstof met de lidstaten waaruit de stikstof overwegend afkomstig is, over maatregelen in die lidstaten om de emissie te verminderen.
-
Als vermindering van de emissie redelijkerwijs niet mogelijk is, overlegt Onze Minister voor Natuur en Stikstof met de Europese Commissie over de toepassing van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn voor dit Natura 2000-gebied en de betrokken habitat.