Omgevingsbesluit Actueel

Inhoud

Afdeling 11.2

Milieueffectrapportage voor projecten

Artikel 11.6

  1. Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet, die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

  2. Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

  3. Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen:

    1. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap;

    2. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet;

    3. de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en

    4. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8.

Artikel 11.7

  1. Voor gevallen die zowel in kolom 2 als in kolom 3 van bijlage V zijn aangegeven, wordt bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport gemaakt.

  2. Bij de vaststelling of sprake is van een project als bedoeld in artikel 11.6, eerste of tweede lid, wordt het gehele project in beschouwing genomen, met inbegrip van de grensoverschrijdende onderdelen.

  3. Projecten als bedoeld in bijlage V, kolom 2, in samenhang met kolom 1, die alleen of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt, worden in afwijking van artikel 11.6, eerste lid, aangemerkt als projecten als bedoeld in artikel 11.6, tweede lid.

  4. Onder een wijziging of uitbreiding als bedoeld in bijlage V, kolom 3, wordt ook verstaan:

    1. een wijziging die betrekking heeft op reconstructie of een andere verandering van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande installaties; en

    2. een uitbreiding die betrekking heeft op het opnieuw in gebruik nemen van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande installaties.

Artikel 11.8

  1. Als in bijlage V, kolom 4, de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is aangewezen, wordt ook de omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk bedoeld voor zover in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald dat het is verboden om:

    1. zonder omgevingsvergunning die milieubelastende activiteit te verrichten; en

    2. zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van die activiteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk te lozen.

  2. Als geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, kan het bevoegd gezag een ander besluit aanwijzen dat nodig is voor een project waarvoor moet worden beoordeeld of dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van dat besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

  3. Als voor een project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, wordt die omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit aangemerkt als het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan, bedoeld in bijlage V, kolom 4.

Artikel 11.9

  1. Bij een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 16.44, tweede lid, van de wet verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval de volgende gegevens:

    1. een beschrijving van het voorgenomen project;

    2. een beschrijving van de omstandigheden waaronder het project zal worden uitgevoerd;

    3. de redenen voor het verzoek; en

    4. een aanduiding van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten.

  2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat geeft op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze kennis van:

    1. de ontheffing, bedoeld in artikel 16.44, tweede lid, van de wet; en

    2. indien van toepassing, de gegevens die zijn verzameld bij een andere vorm van beoordeling van de milieueffecten, bedoeld in artikel 16.44, derde lid, van de wet.

Artikel 11.10

  1. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van:

    1. het project, met in ieder geval een beschrijving van:

      1. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten;

      2. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn;

    2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en

    3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project als gevolg van:

      1. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en

      2. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

  2. Bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid, houdt degene die voornemens is het project uit te voeren rekening met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten.

  3. Bij de mededeling kan een beschrijving worden verstrekt van de kenmerken van het voorgenomen project en van de voorgenomen maatregelen om mogelijk aanzienlijke milieueffecten te vermijden of te voorkomen.

Artikel 11.11

  1. Het bevoegd gezag neemt binnen zes weken na ontvangst van de mededeling de beslissing, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, op grond van de informatie, bedoeld in artikel 11.10.

  2. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit.

  3. In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar:

    1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en

    2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:

      1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en

      2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn uitgevoerd.

Artikel 11.12

  1. Als het bevoegd gezag degene is die voornemens is het project uit te voeren waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt, zorgt het bevoegd gezag in ieder geval voor een passende scheiding tussen conflicterende functies bij de ambtelijke voorbereiding van het besluit.

  2. Het bevoegd gezag legt de wijze waarop het zorg draagt voor een passende scheiding vast in een beschrijving van de werkprocessen en procedures en draagt zorg voor de naleving daarvan.

Artikel 11.13

  1. Het bevoegd gezag brengt advies uit over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, met inachtneming van de informatie die is verstrekt door degene die voornemens is het project uit te voeren, in het bijzonder over:

    1. de specifieke kenmerken van het project, waaronder de locatie en de technische capaciteit; en

    2. de te verwachten milieueffecten van het project.

  2. Binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, brengt het bevoegd gezag advies uit. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.

Artikel 11.14

Als toepassing wordt gegeven aan artikel 16.47, eerste lid, van de wet, stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het milieueffectrapport in de gelegenheid daarover te adviseren.

Artikel 11.15

Als voor een project een milieueffectrapport moet worden gemaakt en voor dat project een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd waarvoor op grond van artikel 16.53c van de wet een passende beoordeling is gemaakt, wordt de passende beoordeling ook tegelijkertijd met het milieueffectrapport door het bevoegd gezag voor het besluit waarvoor het milieueffectrapport wordt gemaakt, ter inzage gelegd.

Artikel 11.16

  1. Het milieueffectrapport bevat in ieder geval de volgende informatie:

    1. een beschrijving van het project;

    2. een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het project en de specifieke kenmerken ervan, met inbegrip van een vergelijking van de milieueffecten, en een motivering voor de gekozen optie in het licht van de milieueffecten;

    3. een beschrijving van de relevante aspecten van de bestaande staat of kwaliteit van het milieu en de mogelijke ontwikkelingen daarvan als het project niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van beschikbare milieu-informatie en wetenschappelijke kennis;

    4. een beschrijving van de factoren bevolking, gezondheid, biodiversiteit, land, bodem, water, lucht, klimaat, materiële goederen, cultureel erfgoed en landschap, waarop het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, en de samenhang daartussen;

    5. een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project;

    6. een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die zijn gebruikt voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van de moeilijkheden die bij het verzamelen van de vereiste informatie zijn ondervonden;

    7. een beschrijving van de kenmerken van het project en de voorgenomen maatregelen om alle beschreven aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren en, voor zover van toepassing, van voorgestelde monitoringsmaatregelen en procedures voor monitoring;

    8. een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico’s op zware ongevallen of rampen;

    9. een niet-technische samenvatting van de op grond van de onderdelen a tot en met h verstrekte informatie; en

    10. een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het milieueffectrapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.

  2. Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt aangegeven in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd in zowel de bouwfase als de bedrijfsfase.

  3. Voor zover van toepassing omvat de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder h, de geplande maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen te voorkomen of te beperken, en informatie over paraatheid en de voorgenomen reactie bij dergelijke noodsituaties.

  4. Wanneer een advies over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, is uitgebracht, is het milieueffectrapport gebaseerd op dat advies. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden.

  5. Om overlapping van milieueffectrapporten te voorkomen, wordt bij het maken van het milieueffectrapport rekening gehouden met de beschikbare resultaten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

Artikel 11.17

De beschrijving van het project, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onder a, bevat in ieder geval:

  1. een beschrijving van de locatie van het project;

  2. een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten, en de eisen over landgebruik tijdens de bouw- en bedrijfsfase;

  3. een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de bedrijfsfase van het project, waaronder de productieprocessen; en

  4. een prognose van de soort en de hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies en de hoeveelheden en soorten tijdens de bouw- en bedrijfsfase geproduceerde afvalstoffen.

Artikel 11.18

  1. De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onder e, op de in artikel 11.16, eerste lid, onder d, bedoelde factoren, bevat in ieder geval een beschrijving van:

    1. de realisatie en het bestaan van het project, en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten;

    2. het gebruik van natuurlijke bronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van deze bronnen;

    3. de uitstoot van verontreinigende stoffen, geluidhinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ontstaan van milieuhinder en het verwijderen en terugwinnen van afvalstoffen;

    4. de risico’s voor de gezondheid, het cultureel erfgoed of het milieu;

    5. de cumulatie van effecten met andere bestaande of goedgekeurde projecten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen van gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop het project van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke bronnen;

    6. het effect van het project op het klimaat en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatverandering; en

    7. de gebruikte technologieën en stoffen.

  2. De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project heeft betrekking op de directe en, voor zover van toepassing, de indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende effecten op korte, middellange en lange termijn, permanente en tijdelijke en positieve en negatieve effecten van het project.

  3. De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project houdt rekening met de Europese of nationale doelstellingen over milieubescherming, die relevant zijn voor het project.

Artikel 11.19

  1. In het besluit waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vermeldt het bevoegd gezag in ieder geval hoe rekening is gehouden met:

    1. het milieueffectrapport; en

    2. indien van toepassing, het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage.

  2. Daarnaast bevat het besluit in ieder geval:

    1. de gemotiveerde conclusie van het bevoegd gezag over de aanzienlijke milieueffecten van het project;

    2. alle aan het besluit verbonden voorschriften;

    3. voor zover van toepassing, een beschrijving van alle kenmerken van het project en de voorgenomen maatregelen om aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren en op welk moment de maatregelen moeten zijn uitgevoerd; en

    4. in voorkomend geval, monitoringsmaatregelen en procedures voor de monitoring van die effecten waarvoor het bevoegd gezag monitoring noodzakelijk acht, waarbij het soort parameters dat wordt gemonitord en de looptijd van de monitoring evenredig moeten zijn aan de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten.

  3. Het bevoegd gezag kan bepalen dat degene die voornemens is het project uit te voeren bestaande monitoring gebruikt voor de monitoringsmaatregelen en de procedures voor de monitoring.

Artikel 11.20

  1. Als op grond van artikel 11.19, tweede lid, onder d, monitoring plaatsvindt, verstrekt degene die het project uitvoert de resultaten van de monitoring aan het bevoegd gezag.

  2. Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar.

  3. Het bevoegd gezag treft, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de onvoorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Artikel 11.21

Het bevoegd gezag voor het milieueffectrapport verstrekt aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek de bij dat gezag beschikbare gegevens die nodig zijn om te kunnen voldoen aan artikel 12, tweede lid, van de mer-richtlijn.

← terug naar Omgevingsbesluit