Omgevingsbesluit Actueel

Inhoud

Afdeling 13.1

Bestuursrechtelijke handhavingstaak en handhavingsbevoegdheid

Artikel 13.1

  1. De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in de volgende gevallen niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het hierna genoemde bestuursorgaan:

    1. het dagelijks bestuur van het waterschap: bij een door hem vastgesteld peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de wet;

    2. gedeputeerde staten:

      1. bij een zwemverbod als bedoeld in artikel 2.38 van de wet;

      2. bij een door hen ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet;

      3. bij een bij omgevingsverordening gestelde verplichting tot monitoring als bedoeld in artikel 20.1 van de wet of gegevensverzameling als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan;

      4. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en, voor zover toepassing is gegeven aan artikel 2.12a van de wet, artikel 3.45, tweede lid, aanhef onder a, van dat besluit; en

      5. de verplichting tot het verstrekken van gegevens, bedoeld in artikel 18.25a, eerste lid, van de wet;

    3. de commissaris van de Koning: bij een tijdelijke regel als bedoeld in artikel 19.12, eerste lid, van de wet;

    4. Onze Minister voor Klimaat en Energie: bij de verplichting tot het openbaar maken van de gegevens, bedoeld in paragraaf 5.4.1a van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    5. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

      1. bij een toegangsverbod als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de wet;

      2. bij een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, tweede lid, van de wet;

      3. bij een activiteit die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de territoriale zee, voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, of die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de exclusieve economische zone;

      4. bij de zorgplicht voor de akoestische kwaliteit van op grond van artikel 2.15, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de wet bij ministeriële regeling aangewezen rijkswegen en hoofdspoorwegen, bedoeld in artikel 3.29 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

      5. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

    6. Onze Minister van Financiën: bij het onthouden van toestemming tot vertrek van een vaartuig of luchtvaartuig uit Nederland als bedoeld in artikel 18.8 van de wet;

    7. Onze Minister voor Natuur en Stikstof:

      1. bij een door hem ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet;

      2. bij het verbod tot het verrichten van activiteiten binnen de afpalingskring van een eendenkooi, bedoeld in artikel 8.5 van de wet; en

      3. bij een door hem genomen besluit over maatregelen voor dieren, eieren, planten, hout of producten daarvan als bedoeld in artikel 18.16a, tweede lid, van de wet of een daaraan verbonden voorschrift als bedoeld in artikel 18.16b, eerste lid, van de wet;

    8. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: bij een verplichting in verband met een archeologische toevalsvondst van algemeen belang opgelegd krachtens de artikelen 19.8, tweede of derde lid, en 19.9 van de wet, in verbinding met artikel 19.3, tweede lid, of 19.4, eerste en tweede lid, van de wet; en

    9. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: bij een regel over het energielabel, gesteld in afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of bij ministeriële regeling.

  2. De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in de volgende gevallen evenmin bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het hierna aangegeven bestuursorgaan, voor zover dat een ander bestuursorgaan is dan het college van burgemeester en wethouders:

    1. het bestuursorgaan dat op grond van paragraaf 2.4.1 van de wet bevoegdheden of taken toebedeeld heeft gekregen met betrekking tot een specifiek aspect van de fysieke leefomgeving: bij een activiteit die in strijd is met de zorgplicht, bedoeld in de artikelen 1.6 en 1.7 van de wet, of met het verbod, bedoeld in artikel 1.7a van de wet, voor zover het gaat om het specifieke aspect van de fysieke leefomgeving;

    2. het dagelijks bestuur van een ander openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de wet: bij een door hem vastgesteld peilbesluit als bedoeld in dat artikellid;

    3. het bestuursorgaan dat een projectbesluit heeft vastgesteld: bij een projectbesluit, voor zover dat besluit geldt als:

      1. een maatwerkvoorschrift op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3 van de wet; of

      2. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het gaat om de uitvoering van het projectbesluit;

    4. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 19.2, eerste lid, van de wet: bij een verplichting in verband met een ongewoon voorval opgelegd krachtens artikel 19.3, tweede lid, of 19.4, eerste en tweede lid, van de wet;

    5. het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving: bij een in hoofdstuk 4 of 5 van dat besluit gestelde verplichting tot monitoring als bedoeld in artikel 20.1 van de wet of gegevensverzameling als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan;

    6. het bestuursorgaan waaraan op grond van afdeling 10.8 gegevens worden verstrekt: bij een in die afdeling gestelde verplichting tot gegevensverstrekking als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan; en

    7. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een experiment als bedoeld in artikel 23.3, eerste lid, van de wet: bij een aanwijzing tot het treffen van een maatregel als bedoeld in artikel 23.3, zesde lid, van de wet.

Artikel 13.2

De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in geval van de volgende gedoogplichten uit hoofdstuk 10 van de wet bij:

  1. gedeputeerde staten: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.10 van de wet;

  2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

    1. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet;

    2. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet;

  3. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een gedoogplicht:

    1. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet;

    2. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en

    3. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet;

  4. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste tot en met vierde lid, van de Wet milieubeheer: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de wet;

  5. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, derde lid, van de wet;

  6. het bevoegd gezag voor een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.9 van de wet; en

  7. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een gedoogplicht:

    1. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet;

    2. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;

    3. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en

    4. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.

Artikel 13.3

  1. Voor zover het gaat om de naleving van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een activiteit, berust in de volgende gevallen de bestuursrechtelijke handhavingstaak ook bij het bestuursorgaan dat op grond van afdeling 4.2 heeft beslist over instemming met de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor die activiteit, of dat op grond van artikel 4.37 van dit besluit of artikel 16.16, vierde lid, van de wet heeft bepaald dat instemming niet is vereist:

    1. het dagelijks bestuur van het waterschap: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.24, eerste lid, onder a, b of c;

    2. gedeputeerde staten:

      1. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, onder a, b, d, e of f, voor zover bij dat laatste onderdeel de activiteit betrekking heeft op een watersysteem dat of een weg die in beheer is bij de provincie; en

      2. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven;

    3. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid;

    4. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat:

      1. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid; en

      2. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29, tweede lid;

    5. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:

      1. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, onder a, b, c, voor zover het bij dat laatste onderdeel gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk of een hoofdspoorweg, of d; en

      2. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in een rijkswater, anders dan in het winterbed van een rivier, waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven;

    6. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30a, eerste lid;

    7. Onze Minister voor Natuur en Stikstof: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.31, eerste lid; en

    8. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, onder a.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.16 bevoegd gezag zijn, tenzij het gaat om een geval als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, onder 1°.

  3. Als in een projectbesluit uitdrukkelijk is bepaald dat het besluit geldt als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.52, tweede lid, onder a, van de wet en daarbij op grond van artikel 16.20, eerste lid, van de wet geen instemming is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak voor de betrokken activiteit, voor zover het gaat om de naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning voor die activiteit, in de in het eerste lid, onder a, b en h, bedoelde gevallen ook bij het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten, respectievelijk Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 13.3a0

  1. De bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving bij het verrichten van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in de artikelen 3.184, 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218 en 3.250 van dat besluit, ook bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en bij Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  2. De bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij een milieubelastende activiteit of een lozingsactiviteit als bedoeld in artikel 3.48m, 3.48o of 3.48r van het Besluit activiteiten leefomgeving ook bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover het bij die activiteit gaat om het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 4.1258, tweede lid, onder a, 4.1267, eerste lid, onder a, en 4.1283, eerste lid, onder a, van dat besluit.

← terug naar Omgevingsbesluit