Omgevingsbesluit Actueel

Inhoud

Afdeling 13.2

Kwaliteitsbevordering en afstemming uitvoering en handhaving

Artikel 13.4

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van werkzaamheden voor de uitoefening van bevoegdheden door het bevoegd gezag in het kader van de uitvoeringstaak, bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, van de wet, en de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet.

Artikel 13.5

  1. De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoerings- en handhavingstaak stellen een uitvoerings- en handhavingsstrategie vast in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen worden gesteld voor de uitvoering en handhaving en welke werkzaamheden met het oog op die doelen zullen worden verricht.

  2. De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid.

  3. De handhavingsstrategie wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving.

  4. De handhavingsstrategie wordt gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen bij de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

Artikel 13.6

  1. De uitvoerings- en handhavingsstrategie biedt in ieder geval inzicht in:

    1. de prioriteitenstelling voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid;

    2. de methode die wordt gebruikt om te bepalen of de doelen, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, worden bereikt;

    3. de criteria die worden gebruikt bij het beoordelen van en beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen en het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet; en

    4. de werkwijze bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet.

  2. De handhavingsstrategie biedt ook inzicht in:

    1. de afspraken die door bestuursorganen onderling en met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt over samenwerking bij en afstemming van werkzaamheden;

    2. de wijze waarop toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt gehouden;

    3. de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en eventueel daaraan verbonden consequenties;

    4. de wijze waarop bestuurlijke sancties en termijnen die bij het opleggen en ten uitvoer leggen daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd; en

    5. de wijze waarop wordt gehandeld na geconstateerde overtredingen die zijn begaan door of in naam van een bestuursorgaan of een andere tot de overheid behorende instantie.

Artikel 13.7

  1. Tot de wijze waarop toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt gehouden, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, onder b, behoort in ieder geval:

    1. de wijze waarop toezicht wordt voorbereid, uitgaande van een register waarin in ieder geval ippc-installaties zijn opgenomen;

    2. de frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden, waarbij die frequentie voor ippc-installaties, afhankelijk van de milieurisico’s, het nalevingsgedrag en de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsysteem, ten minste is:

      1. eenmaal per drie jaar bij beperkte milieurisico’s; en

      2. eenmaal per jaar bij grote milieurisico’s; en

    3. de termijn waarbinnen na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding niet-routinematig toezicht wordt gehouden, waarbij die termijn voor ippc-installaties is:

      1. na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding: zo spoedig mogelijk en in voorkomend geval voor de verlening of wijziging van een omgevingsvergunning; of

      2. na het vaststellen van een ernstige overtreding: in ieder geval binnen zes maanden.

  2. Tot de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en eventueel daaraan verbonden consequenties, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, onder c, behoort in ieder geval:

    1. de termijn waarbinnen een rapportage wordt gedeeld met betrokkenen, waarbij die termijn voor rapportage met betrekking tot ippc-installaties twee maanden is; en

    2. de termijn waarbinnen en mate waarin een rapportage openbaar wordt gemaakt, waarbij die termijn voor rapportage met betrekking tot ippc-installaties vier maanden is en de artikelen 19.3 tot en met 19.5 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel 13.8

  1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, werken jaarlijks de uitvoerings- en handhavingsstrategie uit in een uitvoeringsprogramma, waarin wordt aangegeven welke van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, het komende jaar zullen worden verricht. Daarbij houden ze rekening met de doelen, bedoeld in dat lid, en de prioriteitenstelling, bedoeld in artikel 13.6, eerste lid, onder a.

  2. Het uitvoeringsprogramma wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving.

Artikel 13.9

  1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, richten hun organisatie zodanig in dat een goede uitvoering van de uitvoerings- en handhavingsstrategie en het uitvoeringsprogramma is gewaarborgd.

  2. De bestuursorganen dragen er in ieder geval zorg voor dat:

    1. de personeelsformatie voor de uitvoering en handhaving en de bij de functies behorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden vastgelegd;

    2. een persoon die door hen is belast met het beoordelen van en beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, het beoordelen van en beslissen op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel of het stellen van een maatwerkvoorschrift ten aanzien van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet wordt belast met:

      1. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteit; en

      2. het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteit;

    3. een door hen met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet belaste persoon niet voortdurend wordt belast met het toezicht op dezelfde milieubelastende activiteit; en

    4. de bereikbaarheid en beschikbaarheid van hun organisatie ook buiten kantooruren is gegarandeerd.

  3. De bestuursorganen dragen er ook zorg voor dat de werkprocessen, procedures en bijbehorende informatievoorziening voor de uitvoering en handhaving worden vastgelegd en dat werkzaamheden worden verricht volgens deze werkprocessen en procedures.

Artikel 13.10

De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, dragen er zorg voor dat:

  1. de voor het bereiken van de doelen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in dat lid, benodigde en beschikbare financiële en personele middelen inzichtelijk worden gemaakt en in de begroting worden gewaarborgd; en

  2. voor de uitvoering van het uitvoeringsprogramma voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn.

Artikel 13.11

  1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 13.5, rapporteren jaarlijks over de mate waarin uitvoering van het uitvoeringsprogramma heeft plaatsgevonden en de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel.

  2. Naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde rapportage wordt de uitvoerings- en handhavingsstrategie bezien en zo nodig aangepast.

Artikel 13.12

  1. Het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat in ieder geval de volgende werkzaamheden, voor zover tot hun taak behorend, en voor zover deze regels zijn gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 2.2, 18.3 of 19.1b van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om milieubelastende activiteiten, of artikel 3.2, 4.2, 5.2, 6.2 of 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, als het gaat om bouwactiviteiten of sloopactiviteiten, door een omgevingsdienst worden verricht:

    1. het voorbereiden van beslissingen op aanvragen om omgevingsvergunningen en het voorbereiden van het toepassen van paragraaf 5.1.5 van de wet, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 4, met uitzondering van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten;

    2. het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet, en het voorbereiden van beschikkingen op aanvragen om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 en 5;

    3. het voorbereiden van beschikkingen tot het stellen van maatwerkvoorschriften, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 en 5;

    4. het houden van toezicht op de naleving van:

      1. de verboden, bedoeld in de artikelen 5.1, 5.4, 5.5 en 5.6 van de wet, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 4; en

      2. de regels gesteld bij of krachtens de wet en de Wet milieubeheer, over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 6 en 8;

    5. ketentoezicht op de regels over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 7; en

    6. het voorbereiden van bestuurlijke sancties ter handhaving van de verboden en regels, bedoeld onder d en e.

  2. Tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, behoort niet de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  3. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden voor de activiteiten, bedoeld in artikel 18.22, tweede lid, van de wet, alleen door de in bijlage VII aangewezen omgevingsdiensten uitgevoerd.

  4. Een naamswijziging van een in bijlage VII aangewezen omgevingsdienst gaat voor de toepassing van dit besluit gelden nadat een daarover genomen besluit bekend is gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 13.13

Aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in artikel 18.25, eerste lid, van de wet, is in ieder geval voldaan als Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Justitie en Veiligheid en het algemeen bestuur van de omgevingsdiensten de gegevens die zij beheren in verband met het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid, via het beveiligde digitale systeem voor informatie-uitwisseling, Inspectieview Milieu, raadpleegbaar maken.

Artikel 13.14

Als andere bestuursorganen als bedoeld in artikel 18.25, tweede lid, van de wet worden aangewezen:

  1. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;

  2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  3. de korpschef;

  4. het openbaar ministerie;

  5. Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; en

  6. de inspecteur-generaal der mijnen.

Artikel 13.15

Ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt door de bestuursorganen, bedoeld in de artikelen 13.13 en 13.14, bij het verstrekken van persoonsgegevens het burgerservicenummer aangegeven.

Artikel 13.15a

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in Inspectieview Milieu.

Artikel 13.15b

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorgt ervoor dat in Inspectieview Milieu geen gegevens worden bewaard.

Artikel 13.15c

De jaarlijkse beheerkosten van Inspectieview Milieu komen, voor zover ze niet worden gedekt door de jaarlijkse bijdragen van aangesloten bestuursorganen en instanties, voor rekening van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 13.15d

Als andere rechtspersonen of natuurlijke personen als bedoeld in artikel 18.25a, eerste lid, van de wet, worden aangewezen:

  1. een beheerder van een gesloten systeem als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;

  2. een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;

  3. een leverancier als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet; en

  4. een andere leverancier van warmte of andere energiedragers.

Artikel 13.15e

  1. Aan de verplichting tot het verstrekken van gegevens, bedoeld in artikel 18.25a, eerste lid, van de wet, is in ieder geval voldaan als een persoon als bedoeld in artikel 13.15d op verzoek per adres de volgende gegevens over het energiegebruik verstrekt:

    1. straatnaam, huisnummer, postcode en plaatsnaam waarop de aansluiting is geregistreerd;

    2. de naam van de eindafnemer;

    3. in voorkomend geval, het uniek identificatienummer conform de Europese Artikel Nummering betreffende de aansluiting die is toegekend aan elke aansluiting op het betreffende adres of een andere unieke code die is toegekend aan elke aansluiting op het betreffende adres;

    4. het type energiedrager;

    5. de afname van gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, in kubieke meters, de afname van elektriciteit in kilowattuur, de afname van warmte als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet in gigajoules, of het overig energiegebruik in kubieke meters aardgasequivalent in het voorafgaande of laatst beschikbare kalenderjaar;

    6. in voorkomend geval, de invoeding van gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, in kubieke meters, van elektriciteit in kilowattuur, van warmte als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet in gigajoules of van andere energiedragers in kubieke meters aardgasequivalenten in het voorafgaande of laatst beschikbare kalenderjaar;

    7. in voorkomend geval, de theoretische productie op basis van de bij een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, aangemelde productie-installaties, in het voorafgaande of meest recente kalenderjaar;

    8. als degene die de activiteit verricht is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van inschrijving in het handelsregister en het vestigingsnummer; en

    9. in voorkomend geval, de in de Basisregistratie adressen en gebouwen opgenomen identificatienummers.

  2. De verplichting tot het verstrekken van gegevens is niet van toepassing als het energiegebruik per adres het voorafgaande of laatst beschikbare kalenderjaar, voor zover de gegevens hierover beschikbaar zijn bij de personen, bedoeld in artikel 13.15d, voor:

    1. elektriciteitsverbruik kleiner is dan 50.000 kWh;

    2. warmtegebruik kleiner is dan 791 Gj; of

    3. verbruik van aardgasequivalenten kleiner is dan 25.000 m3.

  3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste één keer per jaar op verzoek door een in artikel 13.15d aangewezen persoon op elektronische wijze verstrekt.

← terug naar Omgevingsbesluit