Besluit houders van dieren

Inhoud

Artikel 1.4

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 22-12-2022.
  1. De criteria, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de wet, zijn:

    1. dieren:

      1. van de desbetreffende diersoort of diercategorie kunnen zonder specialistische kennis en vaardigheden worden gehouden, gelet op:

        1. i

          de mate waarin het dier behoefte heeft aan bewegen en een specifieke leefomgeving;

        2. ii

          de gemiddelde grootte van het dier op volwassen leeftijd;

        3. iii

          de behoefte van het dier aan periodes van activiteit of inactiviteit gedurende een dag of een seizoen;

        4. iv

          de behoeften van het dier met betrekking tot foerageren en eten, waaronder de rantsoensamenstelling;

        5. v

          de mate waarin het dier behoefte heeft aan veiligheid en schuilgelegenheid;

        6. vi

          de behoeften van het dier met betrekking tot voortplanting en grootbrengen van jongen;

        7. vii

          de behoefte van het dier met betrekking tot schoonmaakgedrag;

        8. viii

          de sociale of biosociale behoeften van het dier;

        9. ix

          de mate waarin het dier behoefte heeft aan prikkels en afleiding, of

      2. behoren tot een diersoort of diercategorie die bij artikel 2.1 zijn aangewezen, of

    2. het houden van dieren van de desbetreffende diersoort of diercategorie:

      1. levert geen onaanvaardbare mate van gevaar op voor mens of dier,

      2. is niet verboden bij artikel 3.2, eerste lid, of 3.6, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, in samenhang met artikel 3.2, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 3.6, derde lid, van die wet en krachtens artikel 3.3, derde lid, onderscheidenlijk 3.8, derde lid, van die wet verleende ontheffingen of vrijstellingen, en is niet verboden op grond van bij of krachtens artikel 3.37, 3.38 of 3.39 van de Wet natuurbescherming, gestelde regels, in samenhang met krachtens artikel 3.40 van die wet verleende ontheffingen of vrijstellingen, of

      3. levert gelet op de subonderdelen i tot en met ix van onderdeel a, onder 1°, geen onaanvaardbare aantasting op van het welzijn of de gezondheid van die dieren.

  2. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet, is uitsluitend van toepassing op zoogdieren.

07-07-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 12-12-2023 Historisch 07-10-2023 Historisch 01-07-2023 Historisch 22-12-2022 Historisch 05-05-2022 Historisch 11-03-2022 Historisch 01-03-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-11-2021 Historisch 21-04-2021 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 21-04-2021.

Tekst van deze versie

  1. De criteria, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de wet, zijn:

    1. dieren:

      1. van de desbetreffende diersoort of diercategorie kunnen zonder specialistische kennis en vaardigheden worden gehouden, gelet op:

        1. i

          de mate waarin het dier behoefte heeft aan bewegen en een specifieke leefomgeving;

        2. ii

          de gemiddelde grootte van het dier op volwassen leeftijd;

        3. iii

          de behoefte van het dier aan periodes van activiteit of inactiviteit gedurende een dag of een seizoen;

        4. iv

          de behoeften van het dier met betrekking tot foerageren en eten, waaronder de rantsoensamenstelling;

        5. v

          de mate waarin het dier behoefte heeft aan veiligheid en schuilgelegenheid;

        6. vi

          de behoeften van het dier met betrekking tot voortplanting en grootbrengen van jongen;

        7. vii

          de behoefte van het dier met betrekking tot schoonmaakgedrag;

        8. viii

          de sociale of biosociale behoeften van het dier;

        9. ix

          de mate waarin het dier behoefte heeft aan prikkels en afleiding, of

      2. behoren tot een diersoort of diercategorie die bij artikel 2.1 zijn aangewezen, of

    2. het houden van dieren van de desbetreffende diersoort of diercategorie:

      1. levert geen onaanvaardbare mate van gevaar op voor mens of dier,

      2. is niet verboden bij artikel 3.2, eerste lid, of 3.6, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, in samenhang met artikel 3.2, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 3.6, derde lid, van die wet en krachtens artikel 3.3, derde lid, onderscheidenlijk 3.8, derde lid, van die wet verleende ontheffingen of vrijstellingen, en is niet verboden op grond van bij of krachtens artikel 3.37, 3.38 of 3.39 van de Wet natuurbescherming, gestelde regels, in samenhang met krachtens artikel 3.40 van die wet verleende ontheffingen of vrijstellingen, of

      3. levert gelet op de subonderdelen i tot en met ix van onderdeel a, onder 1°, geen onaanvaardbare aantasting op van het welzijn of de gezondheid van die dieren.

  2. Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet, is uitsluitend van toepassing op zoogdieren.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Besluit houders van dieren