Besluit houders van dieren Actueel

Inhoud

§ 2

Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen

Artikel 1.5

  1. Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën, vogels en vissen.

  2. Artikel 1.6, vierde lid, is tevens van toepassing op insecten.

Artikel 1.6

  1. De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht.

  2. Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.

  3. Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.

  4. De houder van een dier dat in een gebouw of kooi wordt gehouden, draagt er zorg voor dat het dier daaruit niet kan ontsnappen.

Artikel 1.7

Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:

  1. wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden;

  2. slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is;

  3. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;

  4. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;

  5. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;

  6. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;

  7. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt.

Artikel 1.8

  1. Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, wordt voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen.

  2. Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.

  3. In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier.

  4. De materialen, bedoeld in het derde lid, kunnen eenvoudig worden gereinigd en ontsmet.

← terug naar Besluit houders van dieren