-
Een houder van schapen of geiten laat de dieren tegen Q-koorts vaccineren in de volgende gevallen:
de houder houdt meer dan 50 schapen of geiten op een inrichting ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk of voor de opfok ten behoeve van die productie;
de houder houdt schapen of geiten op een inrichting die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren;
de dieren worden vervoerd naar een inrichting als bedoeld in onderdeel a of b;
de dieren worden vervoerd naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.
-
De houder, bedoeld in het eerste lid, laat de dieren vaccineren ten minste drie weken en ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan:
de openstelling voor het publiek van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
het dekken door, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden van de dieren, indien de dieren worden gehouden op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b;
het vervoer van de dieren naar een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b; of
het vervoer van de dieren naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.
-
De houder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, laat de dieren opnieuw vaccineren binnen twaalf maanden na de vaccinatie, bedoeld in het tweede lid, en vervolgens elke twaalf maanden.
-
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op schapen of geiten die:
in hun eerste levensjaar worden geslacht en die geen dieren dekken, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden; of
jonger zijn dan drie maanden.
Inhoud
Artikel 1.46
Tekst van deze versie
-
Een houder van schapen of geiten laat de dieren tegen Q-koorts vaccineren in de volgende gevallen:
de houder houdt meer dan 50 schapen of geiten op een inrichting ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk of voor de opfok ten behoeve van die productie;
de houder houdt schapen of geiten op een inrichting die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren;
de dieren worden vervoerd naar een inrichting als bedoeld in onderdeel a of b;
de dieren worden vervoerd naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.
-
De houder, bedoeld in het eerste lid, laat de dieren vaccineren ten minste drie weken en ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan:
de openstelling voor het publiek van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
het dekken door, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden van de dieren, indien de dieren worden gehouden op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b;
het vervoer van de dieren naar een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b; of
het vervoer van de dieren naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.
-
De houder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, laat de dieren opnieuw vaccineren binnen twaalf maanden na de vaccinatie, bedoeld in het tweede lid, en vervolgens elke twaalf maanden.
-
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op schapen of geiten die:
in hun eerste levensjaar worden geslacht en die geen dieren dekken, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden; of
jonger zijn dan drie maanden.
Nog geen automatische verwijzingen.