Omgevingsregeling

Inhoud

Artikel 12.19

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-04-2024.
  1. Bij de monitoringspunten, bedoeld in de artikelen 12.16 en 12.17, wordt bemonsterd door de lucht in een inlaatbuis te laten stromen:

    1. waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen;

    2. binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en

    3. zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat.

  2. De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is.

  3. De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat:

    1. de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en

    2. de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.

  4. Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon.

01-07-2026 Huidig 27-06-2026 Historisch 29-05-2026 Historisch 28-05-2026 Historisch 01-04-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 07-10-2025 Historisch 01-10-2025 Historisch 02-08-2025 Historisch 12-07-2025 Historisch 08-07-2025 Historisch 01-07-2025 Historisch 18-06-2025 Historisch 09-06-2025 Historisch 01-04-2025 Historisch 08-03-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-10-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 15-06-2024 Historisch 25-05-2024 Historisch 01-04-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2024.

Tekst van deze versie

  1. Bij de monitoringspunten, bedoeld in de artikelen 12.16 en 12.17, wordt bemonsterd door de lucht in een inlaatbuis te laten stromen:

    1. waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen;

    2. binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en

    3. zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat.

  2. De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is.

  3. De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat:

    1. de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en

    2. de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.

  4. Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Omgevingsregeling