-
Een examen voor een jachtgeweeractiviteit komt alleen voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking als de kennis, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst met:
ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:
- 1°
vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 2°
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e en f, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 3°
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder g en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 4°
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder i en j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
- 5°
vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 1°
ten minste vijfentwintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:
- 1°
vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
- 2°
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, d, e, f, g, h, i, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- 1°
-
De vaardigheid en bekwaamheid, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor een jachtgeweeractiviteit worden getoetst door middel van:
het schieten op ten minste vijfentwintig kleiduiven met hagel;
het doen van ten minste vier schoten in twee series van twee schoten met groot-kaliber kogelgeweer op een doel gelegen op een afstand van ten minste 50 m; en
het tonen van weidelijk gedrag en bekwaamheid in het veilig omgaan met een geweer in ten minste tien gesimuleerde situaties.
-
Het examen voor een jachtgeweeractiviteit is alleen met gunstig gevolg afgelegd als degene die het examen aflegt:
van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;
bij het schieten, bedoeld in het tweede lid, onder a, ten minste achttien van de vijfentwintig kleiduiven heeft geraakt;
bij het doen van schoten als bedoeld in het tweede lid, onder b, ten minste drie treffers heeft die liggen binnen een cirkel van 15 cm; en
naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt weidelijk gedrag en bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onder c, heeft getoond.
Omgevingsregeling Actueel
Inhoud
Afdeling 3.3
Artikel 3.32
-
Een examen voor een valkeniersactiviteit komt alleen voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking als de kennis, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst met:
ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:
- 1°
vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 2°
vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 3°
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder g en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 4°
vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
- 5°
vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 1°
ten minste twintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:
- 1°
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
- 2°
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, e, g, h, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- 1°
-
De bekwaamheid, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst bij de beoordeling van twee stages van een jaar bij twee mentoren, aangewezen door de in artikel 3.34 genoemde organisatie. De stages hebben tot doel om bekwaamheid te verwerven in de omgang met jachtvogels, het dragen en zeeg maken van jachtvogels, de verzorging van jachtvogels, het aanleggen van tuig, het doden van prooien en slachten van aasdieren, het aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels, het voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels, het zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels, het beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels, het toepassen van fretten en het gebruik van fluit, loer en balg.
-
Het examen voor een valkeniersactiviteit is alleen met gunstig gevolg afgelegd als degene die het examen aflegt:
van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord; en
naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt voldoende bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid heeft verworven.
Artikel 3.33
-
Een examen voor het gebruik van eendenkooien komt alleen voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking als de kennis, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst met:
ten minste veertig meerkeuzevragen, waarvan:
- 1°
vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 2°
vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- 3°
vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
- 4°
vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
- 1°
ten minste vijftien meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:
- 1°
tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
- 2°
vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, e, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
- 1°
-
Het examen voor het gebruik van eendenkooien is alleen met gunstig gevolg afgelegd als degene die het examen aflegt van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord.
Artikel 3.34
Als examen worden erkend als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving de volgende, door de Stichting Jachtexamens afgenomen, examens:
voor een jachtgeweeractiviteit: het jachtexamen;
voor een valkeniersactiviteit: het examen voor het gebruik van jachtvogels; en
voor het gebruik van eendenkooien: het examen voor het gebruik van eendenkooien.
Artikel 3.35
Als gelijkwaardige examens als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangewezen:
met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen, het Belgisch ministerieel besluit van 2 maart 1977 tot inrichting van het jachtexamen en het Besluit van de Vlaamse Executieve van 29 mei 1991 tot inrichting van het jachtexamen;
het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Vlaamse regering van 18 januari 1995 betreffende de organisatie van het jachtexamen;
het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Waalse regering van 2 april 1998 tot organisatie van het jachtexamen in het Waalse Gewest;
met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 21 januari 1991 tot organisatie van het jachtexamen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het gewijzigde Règlement grand-ducal van 16 april 1991 betreffende de voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot de bekwaamheidsproef voor het verlenen van een eerste jachtvergunning; en
het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Bundesjagdgesetz.