Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

Afdeling 9.3

Voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - bodembescherming stortplaatsen, anders dan voor alleen baggerspecie op land

Artikel 9.8

Deze afdeling is van toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.44 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 9.9

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder:

  1. een deskundige inschakelt om op de plaats waar is of wordt gestort een onderzoek uit te voeren naar de gevoeligheid van de bodem voor zettingen onder invloed van de stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  2. de resultaten van het onderzoek betrekt bij het bepalen van de ligging van de stortzool ten opzichte van de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand.

Artikel 9.10

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar de geohydrologische situatie, bedoeld in artikel 8.47, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, eenmaal voor het inrichten van de stortplaats wordt uitgevoerd en vervolgens jaarlijks plaatsvindt door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder de resultaten van het onderzoek zendt naar het bevoegd gezag.

Artikel 9.11

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de onderafdichting, bedoeld in 8.48, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met de Richtlijn onderafdichtingen voor stort- en opslagplaatsen.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat tussen de capillair onderbrekende laag van grind als onderdeel van de onderafdichting, bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de te storten afvalstoffen een steunmat wordt aangebracht.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de te treffen civieltechnische of geohydrologische maatregelen, bedoeld in artikel 8.48, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste voldoen aan:

    1. de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen; en

    2. de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring stortplaatsen.

  4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting, bedoeld in artikel 8.48, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.

Artikel 9.12

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot, bedoeld in artikel 8.53, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving:

    1. betrekking hebben op gassen die vrijkomen bij de biologische afbraak van het organisch materiaal in de afvalstoffen, waaronder in ieder geval CH4, CO2 en O2;

    2. maandelijks plaatsvinden; en

    3. representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats.

  2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de atmosferische druk, de metingen eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt benut of afgefakkeld.

  3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de samenstelling van de gasuitstoot, de metingen:

    1. eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt afgefakkeld; of

    2. voortdurend plaatsvinden als die nodig zijn voor de goede werking van de benuttingsinstallatie voor zover het vrijkomende gas wordt benut en de gassen CH4, CO2 en O2 omvat.

  4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling van de gasuitstoot bij het affakkelen en benutten van het vrijkomende gas plaatsvinden in de verzamelleiding van het stortgasonttrekkingssysteem.

  5. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot minder frequent mogen plaatsvinden als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn.

Artikel 9.13

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder een deskundige inschakelt om de grondwaterstand van de bodem te meten op de plaats waar is of wordt gestort, bedoeld in artikel 8.55, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de ingeschakelde deskundige de meting van de grondwaterstand:

    1. ten minste tweemaal per maand verricht, op of nabij de 14e en 28e van de maand; en

    2. volgens NEN-EN-ISO 22475-1 uitvoert.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de ingeschakelde deskundige vaststelt of de gegevens die zijn verkregen uit de metingen, bedoeld in het eerste lid, representatief zijn voor de bodem op de plaats waar is of wordt gestort. Dit doet de deskundige door de gegevens te vergelijken met de beschikbare gegevens van de grondwaterstanden verkregen uit peilbuizen in hetzelfde geohydrologische systeem die zijn opgenomen in het Archief van grondwaterstanden van TNO, voor zover laatstbedoelde gegevens betrekking hebben op dezelfde periode en op de daaraan voorafgaande aaneengesloten periode van ten minste vijf jaar.

Artikel 9.14

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder een deskundige inschakelt om de gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand te bepalen.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat bij het bepalen van de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand gebruik wordt gemaakt van:

    1. de resultaten van het onderzoek naar de geohydrologische toestand, bedoeld in artikel 9.10;

    2. de resultaten van de metingen, bedoeld in artikel 9.13, eerste lid; en

    3. de profielbeschrijvingen van de bodem op de plaats van de aanleg van de stortplaats.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige een andere gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand kan vaststellen, als de verwachting bestaat dat de werkelijke gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand onder invloed van een kunstmatige grondwaterstandverandering significant zal afwijken van de in overeenstemming met het tweede lid vastgestelde grondwaterstand.

Artikel 9.15

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het bepalen en bemonsteren van de hoeveelheid en de samenstelling van het in de nabijheid van de stortplaats aanwezige oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 8.56, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke drie maanden plaatsvindt.

  2. In afwijking van het eerste lid kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat de metingen van de hoeveelheid en samenstelling:

    1. op grond van de kenmerken van de stortplaats niet zijn vereist; of

    2. minder frequent mogen worden uitgevoerd als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bemonstering van de hoeveelheid en de samenstelling, bedoeld in het eerste lid, op ten minste twee punten wordt uitgevoerd waarvan een stroomopwaarts en een stroomafwaarts ligt.

Artikel 9.16

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de drainagesystemen van de onder- en bovenafdichting en het controledrainagesysteem onder de onderafdichting in het grondwater elke zes maanden worden geïnspecteerd.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat na het aanbrengen van de drainagebuizen van de systemen, bedoeld in het eerste lid:

    1. direct wordt vastgesteld of de drainagebuizen open zijn; en

    2. de drainagebuizen regelmatig en ten minste een keer per jaar worden doorgespoten met het oog op het waarborgen van een goede werking.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het inspecteren van het functioneren van het drainagesysteem voor percolaat van de onderafdichting en het controledrainagesysteem in het grondwater voor de vloeistofstroming in drains en leidingen, plaatsvindt:

    1. in de daarvoor aangebrachte schachten en inspectieputten of verzamelleidingen; en

    2. in overeenstemming met de in de Richtlijn drainagesystemen en controlesystemen grondwater voor stort- en opslagplaatsen aangegeven methode.

Artikel 9.17

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de dichtheid van de bovenafdichting elke zes maanden wordt geïnspecteerd.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van de dichtheid van de bovenafdichting bestaat uit:

    1. een onderzoek naar het uittreden van stortgas door de bovenafdichting, als redelijkerwijs is te verwachten dat stortgas uit de stortplaats vrijkomt; en

    2. een inspectie van de taluds op uittredend percolaat.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar het uittreden van stortgas, bedoeld in het tweede lid, onder a, plaatsvindt in overeenstemming met hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.

  4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van taluds op uittredend percolaat, bedoeld in het tweede lid, onder b, plaatsvindt door bij de teenconstructie, zijnde het verbindingsgedeelte tussen de onder- en bovenafdichting en het nabijgelegen deel van het talud, de elektrische geleidbaarheid van het water uit het drainagesysteem boven de bovenafdichting te meten, in overeenstemming met de methode uit hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindeafwerking op afval- en reststofbergingen.

  5. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting jaarlijks wordt gecontroleerd op zakking door hoogtemeting van het eindafwerkingsoppervlak in overeenstemming met de methode uit paragraaf 1.3 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen.

Artikel 9.18

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in artikel 8.57, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaat uit een bemonstering van:

    1. het percolaat, dat op representatieve plaatsen wordt genomen en representatief is voor de gemiddelde samenstelling van het percolaat;

    2. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen of inspectieputten van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en

    3. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de frequentie van de bemonstering, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door de stroomsnelheid van het grondwater onder de stortplaats en dat die frequentie is:

    1. eenmaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 0 en 5 m/jaar;

    2. tweemaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 5 tot 30 m/jaar; of

    3. driemaal per jaar bij een stroomsnelheid van meer dan 30 m/jaar.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de stroomsnelheid van het grondwater, bedoeld in het tweede lid, door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige wordt vastgesteld.

  4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op:

    1. zuurgraad (pH);

    2. elektrische geleidbaarheid;

    3. chemisch zuurstofverbruik (CZV);

    4. minerale olie;

    5. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX);

    6. chloride; en

    7. Kjeldahl-N of ammoniak (NH3).

  5. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het vierde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats.

Artikel 9.19

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat eenmaal per jaar een gaschromatografisch-massaspectrometrisch onderzoek op organische verbindingen wordt uitgevoerd.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als een gaschromatografisch-massaspectrometrisch onderzoek op organische verbindingen wordt uitgevoerd, in afwijking van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden ter uitvoering van artikel 9.18, vierde lid, aanhef en onder e, geen analyse op vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) hoeft plaats te vinden.

Artikel 9.20

Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat in verband met de samenstelling van het gestorte afval naast de parameters, genoemd in artikel 9.18, vierde lid, ook andere parameters worden geanalyseerd.

Artikel 9.21

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het meten van de hoeveelheid percolaat maandelijks plaatsvindt.

  2. In afwijking van het eerste lid kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat een andere frequentie wordt gehanteerd als:

    1. de structuur, de opbouw en de samenstelling van het gestorte afval hiertoe aanleiding geven; of

    2. uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn.

Artikel 9.22

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de geohydrologische maatregelen die worden getroffen bij het bereiken van het in het urgentieplan bepaalde interventiepunt in overeenstemming zijn met de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen.

Artikel 9.23

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat voor de parameters, bedoeld in de artikelen 9.18, vierde lid, 9.20 en 9.25, tweede tot en met vierde lid, onder a, standaardwaarden worden vastgesteld ter bepaling van de verslechtering van de grondwaterkwaliteit.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de standaardwaarde als volgt wordt berekend:

    1. als minder dan 30 metingen op een referentiepunt zijn uitgevoerd: het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarden voor het grondwater die bij de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 8.57 en 8.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op een referentiepunt zijn gemeten, vermenigvuldigd met 1,3 en vermeerderd met de detecteerbare overschrijdingswaarde; of

    2. als meer dan 30 metingen op een referentiepunt zijn uitgevoerd: de waarde waaronder 98% van die metingen liggen, vermeerderd met de detecteerbare overschrijdingswaarde.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:

    1. de bevestiging van de overschrijding, bedoeld in artikel 8.57b, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt uitgevoerd door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige door middel van bemonstering en een analyse; en

    2. de vaststelling van de referentiemeetpunten en de controlemeetpunten, bedoeld in artikel 8.57b, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, plaatsvindt op basis van een schriftelijk advies van een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige.

Artikel 9.24

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige de inspectie, de keuring en het onderzoek naar de technische staat van de bodembeschermende maatregelen, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 4°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke twee jaar uitvoert in overeenstemming met:

    1. hoofdstuk 15 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen voor de bovenafdichting;

    2. de Richtlijn drainagesystemen en controlesystemen grondwater voor stort- en opslagplaatsen, met uitzondering van de paragrafen 3.11 en 4.3.2, voor:

      1. het opvang- en afvoersysteem van percolaat;

      2. de controle van de drainagevoorzieningen; en

      3. de bemonsteringsdrainagebuizen;

    3. de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring stortplaatsen voor de bemonsteringspeilbuizen, met uitzondering van bijlage V; en

    4. de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen, voor zover geohydrologische isolatie is vereist.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige bij de analyse van het percolaat, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 4°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de voorgeschreven stoffen analyseert in verband met:

    1. eventuele aantasting van de afdichting;

    2. de processen in de stortplaats; en

    3. de afvoer van het percolaat.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verboden die inhouden dat de door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige in het kader van het onderzoek, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 3°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een inschatting maakt van de resterende levensduur van de maatregelen.

Artikel 9.25

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 5°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke twee jaar uitvoert door een bemonstering van:

    1. het percolaat;

    2. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en

    3. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op:

    1. cadmium, chroom, koper, nikkel, lood, zink, kwik en arseen;

    2. chloride, sulfaat, zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid;

    3. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX);

    4. minerale olie; en

    5. polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's).

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op aromaten, als bij het onderzoek, bedoeld in artikel 9.19, de aanwezigheid daarvan is gesignaleerd.

  4. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat:

    1. naast de in het tweede en derde lid bedoelde parameters ook andere parameters worden geanalyseerd; of

    2. analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het tweede en derde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats.

  5. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van de monsters plaatsvindt door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert volgens NEN-EN-ISO 17025.

← terug naar Omgevingsregeling