Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

§ 7.2.3.3

Activiteiten die bedrijfstakken overstijgen

Artikel 7.29

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt.

  2. Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. gegevens over het nominaal thermisch ingangsvermogen in megawatt van de stookinstallatie;

    2. gegevens over het type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter en andere stookinstallatie; en

    3. gegevens over het type gebruikte brandstoffen, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, andere vaste brandstoffen, andere vloeibare brandstoffen dan gasolie en andere gasvormige brandstoffen dan aardgas en vergistingsgas.

Artikel 7.29a

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW afkomstig van een stookinstallatie, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.24, verstrekt.

Artikel 7.30

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie, als het elektrisch vermogen groter is dan 4 kW, bedoeld in de artikelen 3.9 en 3.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van elektromagnetische velden.

Artikel 7.31

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een windpark met 3 of meer windturbines als bedoeld in artikel 3.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden voor elke windturbine de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. het vermogen in kilowatt;

    2. de diameter van de rotors in centimeters;

    3. de hoogte van de masten in meters; en

    4. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

  2. Op het berekenen van de afstand voor het plaatsgebonden risico is artikel 4.11, aanhef en onder b, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.33

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een koelinstallatie, bedoeld in de artikelen 3.15, eerste lid en 3.16, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27b, verstrekt.

  2. Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a;

    2. als het gaat om een koelinstallatie met ammoniak: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 13;

    3. als het gaat om een koelinstallatie met minder dan 10.000 kg ammoniak en met een diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper van ten hoogste 80 mm: gegevens over:

      1. het aantal koelinstallaties in een machinekamer;

      2. de werktemperatuur in graden Celsius van de installatie met pompbeveiliging;

      3. de hoeveelheidsklasse ammoniak in kilogrammen;

      4. de opstellingsuitvoering;

      5. de nominale diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper vanaf de machinekamer en vanaf de vloeistofleiding; en

      6. de coördinaten van de koelinstallatie;

    4. als het gaat om een koelinstallatie met ten minste 10.000 kg ammoniak of met een diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper van meer dan 80 mm: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder b en c; en

    5. als het gaat om een koelinstallatie met meer dan 100 kg koolwaterstoffen: gegevens over:

      1. het soort koolwaterstof dat wordt toegepast in de koelinstallatie; en

      2. de hoeveelheid koolwaterstof in kilogrammen die wordt toegepast in de koelinstallatie.

Artikel 7.34

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW afkomstig van een koelinstallatie, bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.24, verstrekt.

Artikel 7.35

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  1. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put;

  2. de hoeveelheid water die ten hoogste in de bodem wordt gebracht en de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken, in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar;

  3. een beschrijving van de hydrologische en hydrothermische gevolgen van het in de bodem brengen van water en het onttrekken van grondwater;

  4. de maximale temperatuur in graden Celsius van het water dat in de bodem wordt gebracht;

  5. de coördinaten van elke put;

  6. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van elke put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

  7. de lengte in meters van het effectieve filter in elke put;

  8. de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het bodemenergiesysteem zal voorzien in megawattuur per jaar;

  9. de lozingsroute van het afvalwater; en

  10. een verklaring van degene die het open bodemenergiesysteem ontwerpt of installeert over het energierendement dat het systeem zal behalen, uitgedrukt als SPF, dat wordt berekend volgens de formule: waarbij wordt verstaan onder: Qw: de hoeveelheid warmte per jaar in megawattuur die door het open bodemenergiesysteem wordt geleverd; Qk: de hoeveelheid koude per jaar in megawattuur die door het systeem wordt geleverd; E: de hoeveelheid elektriciteit per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt; en G: de hoeveelheid gas per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt.

Artikel 7.36

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a, b, f, g, h en j tot en met o, verstrekt.

  2. Bij de aanvraag worden ook gegevens en bescheiden verstrekt over het gehalte van ammonium, zware metalen, ijzer en natriumchloride van het te lozen afvalwater.

Artikel 7.37

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van gassen in een opslagtank, bedoeld in de artikelen 3.21 en 3.22, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt.

  2. Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen, de temperatuur van de stoffen in de opslagtank in graden Celsius en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;

    2. de grootte van de opslagtank in kubieke meters;

    3. een beschrijving van de installatie;

    4. een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

    5. als de stoffen onder druk worden opgeslagen: de druk in kilopascal;

    6. als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:

      1. de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;

      2. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a;

      3. als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank; en

      4. als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp.

    7. als het gaat om het opslaan van meer dan 1.500 kg ammoniak, meer dan 1 m3 andere giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2, meer dan 1 m3 gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3, meer dan 50 m3 propaan of propeen of meer dan 13 m3 acetyleen: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid;

    8. als het gaat om het opslaan van zuurstof, kooldioxide, argon, helium of stikstof: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 9;

    9. als het gaat om het opslaan van ammoniak: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 12; en

    10. als het gaat om het opslaan van propaan, butaan of propeen: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 19.

Artikel 7.38

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van vloeistoffen in een opslagtank of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, bedoeld in de artikelen 3.24 en 3.25, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt.

  2. Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen, de temperatuur van de stoffen in de opslagtank en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen;

    2. de grootte van de opslagtank, tankcontainer of verpakking in kubieke meters en het materiaal waarvan die is gemaakt;

    3. een aanduiding of het gaat om:

      1. een bovengrondse of ondergrondse opslagtank; en

      2. een verticaal of horizontaal opgestelde opslagtank;

    4. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om verontreiniging van de bodem te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken;

    5. als het gaat om het opslaan van:

      1. meer dan 1 m3 vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;

      2. meer dan 1 m3 vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

      3. meer dan 1 m3 vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, als die:

        1. i

          bij inademing acuut toxisch zijn; of

        2. ii

          bij opname door de mond acuut toxisch zijn, voor zover die stoffen niet kunnen worden ingedeeld in die klasse bij inademing of blootstelling aan de huid; of

      4. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II in een bovengrondse opslagtank of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt met een inhoud van meer dan 150 m3: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid;

    6. als de stoffen onder druk worden opgeslagen: de druk in kilopascal;

    7. als het gaat om het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse opslagtank met een inhoud van ten hoogste 150 m3: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 30;

    8. als het gaat om het opslaan van andere vloeibare gevaarlijke stoffen dan stoffen van ADR-klasse 3 in een opslagtank met een inhoud van ten hoogste 150 m3: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 31;

    9. als het gaat om het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse opslagtank met een inhoud van meer dan 150 m3: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 29; en

    10. als de drempelwaarden van bijlage 2 bij het rapport Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen worden overschreden: de resultaten van een milieurisicoanalyse.

Artikel 7.39

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen in een opslagtank of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, bedoeld in artikel 3.25, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a, b, c, e, f, g, h en n, verstrekt.

Artikel 7.40

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in een opslagplaats opslaan van gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opslagplaats de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. de maximale opslagcapaciteit in kilogrammen;

    2. de hoeveelheid stoffen in kilogrammen die per ADR-klasse ten hoogste wordt opgeslagen;

    3. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de eigenschappen van die stoffen en een aanduiding of stoffen van verpakkingsgroep I worden opgeslagen;

    4. de hoeveelheid stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in kilogrammen, die ten hoogste per categorie wordt opgeslagen;

    5. het beschermingsniveau volgens PGS 15;

    6. de oppervlakte in vierkante meters van de opslagplaats;

    7. een beschrijving van de brandbeveiligingsinstallatie en het daarvoor opgestelde uitgangspuntendocument volgens PGS 15;

    8. een aanduiding of de gevaarlijke stoffen wel of niet gedurende korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger worden opgeslagen;

    9. de coördinaten van de opslagplaats, tenzij onderdeel l of m van toepassing is;

    10. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 15;

    11. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a;

    12. als het gaat om het opslaan van meer dan 1.500 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2 of meer dan 1.500 l tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in gasflessen, bedoeld in artikel 3.28, aanhef en onder a of g, van het Besluit activiteiten leefomgeving: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder b en c;

    13. als het gaat om het opslaan van 10.000 kg of meer in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedoeld in artikel 3.28, aanhef en onder h, van dat besluit, voor zover brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, broom-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen, of zowel brandbare gevaarlijke stoffen als gevaarlijke stoffen met die verbindingen worden opgeslagen, en voor zover het gaat om:

      1. een opslagplaats met een oppervlakte van meer dan 100 m2; of

      2. verpakkingseenheden van meer dan 100 kg met een stof van ADR-klasse 6.1, van verpakkingsgroep I, die in de open lucht worden gelost of geladen: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder b en c; en

    14. als het gaat om het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 8.

  2. Het eerste lid, onder m, is niet van toepassing als het gaat om:

    1. het opslaan van ten hoogste 30.000 kg per opslagplaats, voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger; of

    2. een geval waarvoor afstanden zijn vastgesteld in tabel B.3 van bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 7.41

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. het gewicht van het vuurwerk, de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de andere stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1 in kilogrammen, onderscheiden naar ADR-klasse en compatibiliteitsgroep als bedoeld in de ADR en aangegeven met de letters A tot en met J, K tot en met N of S, dat ten hoogste wordt opgeslagen in elke bewaarplaats en bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;

    2. de coördinaten van de ruimte, bedoeld in artikel 4.1031, tweede lid, van dat besluit en elke bewaarplaats en bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;

    3. de grootte van de deuropening in vierkante meters van elke bewaarplaats en bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;

    4. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a;

    5. als de aanvraag betrekking heeft op het opslaan van vuurwerk van categorie F4: de hoeveelheid NEM in kilogrammen; en

    6. als de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van vuurwerk van categorie F4 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

      1. de namen van degenen door wie of onder toezicht van wie activiteiten met dat vuurwerk of die pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden verricht;

      2. gegevens over de vakbekwaamheid van het personeel dat werkzaamheden met dat vuurwerk of die pyrotechnische artikelen verricht; en

      3. een uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties, waarin alle bouwkundige, organisatorische en installatietechnische eisen voor de met sprinklers te beveiligen ruimten en locaties zijn beschreven, dat voldoet aan Memorandum 60 van het Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid en dat is beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 als type A voor dat memorandum.

  2. Voor het bepalen van het gewicht van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in:

    1. een bufferbewaarplaats wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR; en

    2. een bewaarplaats wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 7.42

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opslagplaats de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  1. de coördinaten van:

    1. het brandcompartiment voor het opslaan van zwart kruit van ADR-klasse 1.1 of rookzwak kruit van ADR-klasse 1.3;

    2. de opslagplaats voor noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4;

    3. de opslagplaats voor munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens van ADR-klasse 1.4;

    4. de opslagplaats voor patronen voor schiethamers van ADR-klasse 1.4; en

    5. de opslagplaats voor andere ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1;

  2. het type ontplofbare stoffen en de hoeveelheid in kilogrammen die ten hoogste wordt opgeslagen;

  3. gegevens over de dikte van het metselwerk of beton in centimeters van de onderdelen van het bouwwerk die grenzen aan de buitenlucht en waarin de ontplofbare stoffen worden opgeslagen;

  4. een aanduiding of het gaat om ADR-klasse 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 of 1.6 per ontplofbare stof die wordt opgeslagen;

  5. de hoeveelheid NEM in kilogrammen;

  6. als het gaat om het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 1.1, 1.3 of 1.4: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 32; en

  7. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a.

Artikel 7.43

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen, bedoeld in artikel 3.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opslagplaats de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  1. de coördinaten;

  2. de opslagcapaciteit in kilogrammen;

  3. de meststoffengroep, bedoeld in PGS 7, van de vaste minerale anorganische meststoffen die worden opgeslagen;

  4. de hoeveelheid in kilogrammen vaste minerale anorganische meststoffen per meststoffengroep, bedoeld in PGS 7, die wordt opgeslagen;

  5. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 7; en

  6. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a.

Artikel 7.44

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten met bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voorafgaand aan de inzameling of afgifte van deze afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.39 en 3.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.26, onder a tot en met e, verstrekt.

Artikel 7.45

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.40b, eerste lid, en 3.40c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.26, verstrekt.

  2. Als het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen kan worden aangemerkt als het verwijderen van afvalstoffen, worden bij de aanvraag ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. de kwaliteit van de bodem op de locatie waar het op of in de bodem brengen van afvalstoffen plaatsvindt;

    2. de bodemkundige gesteldheid en geohydrologische omstandigheden op de locatie waar het op of in de bodem brengen van afvalstoffen plaatsvindt, waaronder ten minste gegevens over:

      1. de gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstand, vastgesteld met metingen verricht volgens NEN 5766 op de 14e en 28e van elke maand, gedurende een periode van ten minste een jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      2. de grondwaterstroming; en

      3. de doorlatendheid in meters per etmaal, dikte in meters, samenstelling en zetting van de bodemlagen;

    3. een beschrijving van het beheer van de afvalstoffen die op of in de bodem zijn gebracht en van de maatregelen of voorzieningen ter bescherming van het milieu die worden getroffen na beëindiging van het op of in de bodem brengen; en

    4. een exploitatieplan en een controleplan die ten minste de volgende gegevens bevatten:

      1. een beschrijving van de structuur van de onderneming en de organisatie;

      2. de aard, samenstelling, hoeveelheid in tonnen, herkomst en wijze van registratie van de afvalstoffen;

      3. per handeling en per afvalstof: de maximale opslagcapaciteit in tonnen en de verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en

      4. een beschrijving van de procedures van acceptatie van afvalstoffen en van de administratieve organisatie en interne controle.

Artikel 7.46

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.40c, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met n, verstrekt.

Artikel 7.47

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in een andere milieubelastende installatie of buiten een installatie, bedoeld in de artikelen 3.40d en 3.40e, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt.

  2. Als paragraaf 4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, worden bij de aanvraag ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om ervoor te zorgen dat:

      1. de installatie zo wordt ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd dat wordt voldaan aan paragraaf 4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de afvalcategorieën die worden verbrand of meeverbrand;

      2. de warmte die wordt opgewekt bij het verbrandings- en meeverbrandingsproces zoveel mogelijk wordt gebruikt voor het produceren van warmte, stoom of elektriciteit; en

      3. het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan zoveel mogelijk worden beperkt en residuen die ontstaan worden gerecycled;

    2. een beschrijving van de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden; en

    3. een beschrijving van de structuur van de onderneming en de organisatie.

Artikel 7.48

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in een andere milieubelastende installatie of buiten een installatie, bedoeld in artikel 3.40e, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt.

Artikel 7.49

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in de artikelen 3.41, onder a, en 3.42, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt.

  2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater, bedoeld in de artikelen 3.41, onder b, en 3.42, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27a, onder c en d, verstrekt.

  3. Bij de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. een beschrijving van het afvalwater dat wordt ingenomen;

    2. een beschrijving van de aanpak van het verwerken van het ingenomen afvalwater;

    3. een riooltekening;

    4. de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk in inwonerequivalenten;

    5. het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meters per dag;

    6. de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meters per uur;

    7. de samenstelling van het te lozen afvalwater;

    8. de ligging van de geuremissiepunten; en

    9. als de drempelwaarden van bijlage 2 bij het rapport Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen worden overschreden: de resultaten van een milieurisicoanalyse.

Artikel 7.50

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in de artikelen 3.41, onder a, en 3.42, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25 verstrekt.

  2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater, bedoeld in de artikelen 3.41, onder b, en 3.42, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met n, verstrekt.

Artikel 7.51

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in de artikelen 3.44 en 3.45, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt.

Artikel 7.52

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in artikel 3.45, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt.

Artikel 7.53

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag, bedoeld in de artikelen 3.47 en 3.48, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt.

Artikel 7.53a

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib afkomstig van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater, bedoeld in artikel 3.48b van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  1. de aard, samenstelling, hoeveelheid in tonnen, herkomst en wijze van registratie van het zuiveringsslib; en

  2. een beschrijving van de procedures van acceptatie van zuiveringsslib en van de administratieve organisatie en interne controle.

Artikel 7.53b

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd of grond of baggerspecie die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48k, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.26, verstrekt.

  2. Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. als grond of baggerspecie die beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt opgeslagen: een aanduiding van de kwaliteitsklassen, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, van de partij grond of partij baggerspecie;

    2. een aanduiding of verschillende partijen grond of verschillende partijen baggerspecie worden samengevoegd; en

    3. als verschillende partijen grond of verschillende partijen baggerspecie worden samengevoegd:

      1. een aanduiding of dit gebeurt tot een partij die groter is dan 25 m3;

      2. een aanduiding van de kwaliteitsklassen, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, van de partijen, tenzij partijen die niet beschikken over een milieuverklaring bodemkwaliteit worden samengevoegd; en

      3. het volume van de samengevoegde partij in kubieke meters.

Artikel 7.53c

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd of grond of baggerspecie die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48k, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h, verstrekt.

Artikel 7.53d

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het brengen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het gaat om het opvullen van een diepe plas voor het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas, het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden, bedoeld in artikel 3.48p van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  1. een beschrijving van de locatie waarop de activiteit wordt verricht en een situatietekening waarop is aangegeven:

    1. de locatie met een legenda en een noordpijl; en

    2. de omgeving van de locatie;

  2. een bovenaanzicht en een dwarsdoorsnede van de locatie op een schaal van ten minste 1:10.000;

  3. een aanduiding van de beoogde:

    1. hoeveelheid in kubieke meters, kwaliteit en herkomst van de grond en baggerspecie die worden toegepast in het oppervlaktewaterlichaam en in de afdeklaag;

    2. dikte van de afdeklaag in meters;

    3. diepte, oppervlakte, chemische en ecologische kwaliteit en het beoogde volume van het oppervlaktewaterlichaam na beëindiging van de activiteit of een fase, als de activiteit gefaseerd wordt verricht; en

    4. datum en het beoogde tijdstip van het begin van de activiteit of de fases, als de activiteit gefaseerd wordt verricht, en de verwachte duur ervan;

  4. de vermelding van de functionele toepassing in het kader waarvan de grond en baggerspecie wordt toegepast en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing;

  5. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de grond en baggerspecie wordt toegepast;

  6. een beschrijving van de inrichting en de maatschappelijke functie van de locatie na de opvulling van het oppervlaktewaterlichaam;

  7. een beschrijving van de gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam en de gevolgen voor de openbare drinkwatervoorziening;

  8. een beschrijving van de procedures en van de criteria voor acceptatie van grond en baggerspecie en van de administratieve organisatie en interne controle;

  9. een rapportage met een weergave van een verricht hydrologisch en geohydrologisch onderzoek naar de gevolgen van de activiteit;

  10. een beschrijving van de wijze waarop tijdens en na afronding van de activiteit of een fase, als de activiteit gefaseerd wordt verricht, wordt gecontroleerd:

    1. op het bereiken van de doelen, bedoeld onder c;

    2. op verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam of de omgeving van de locatie;

    3. op de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam; en

    4. op de instandhouding van de afdeklaag;

  11. een beschrijving van de wijze waarop is gewaarborgd dat corrigerende maatregelen worden getroffen als de controles, bedoeld onder j, daartoe aanleiding geven; en

  12. een aanduiding en onderbouwing van het type diepe plas, zowel voor als na de opvulling van het oppervlaktewaterlichaam.

← terug naar Omgevingsregeling