-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht om de volgende schadeveroorzakende dieren te bestrijden als bedoeld in 11.57, onder b, van dat besluit:
het konijn (Oryctolagus cuniculus); of
de vos (Vulpes vulpes).
-
Het eerste lid geldt alleen als:
het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied te voorkomen;
de schade, bedoeld onder a, is aan te merken als:
- 1°
schade aan de flora of fauna, of natuurlijke habitats; of
- 2°
schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en
- 1°
wordt voldaan aan de in artikel 4.28 gestelde eisen en beperkingen.
Omgevingsregeling Actueel
Inhoud
§ 4.7.3
Artikel 4.27a
-
Als voorwaarden als bedoeld in artikel 11.109a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden vastgesteld:
degene die planten, of delen of producten daarvan, als bedoeld in artikel 11.109a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verhandelt, draagt er zorg voor dat alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de planten, of delen of producten daarvan, zich kunnen voortplanten of zich kunnen verspreiden in het milieu;
degene die planten, of delen of producten daarvan, als bedoeld in artikel 11.109a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verhandelt, kan te allen tijde aannemelijk maken dat hij voldoet aan de in onderdeel a bedoelde voorwaarde.
-
Als passende maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de planten en hun natuurlijke leefomgeving.
Artikel 4.28
-
Als middelen als bedoeld in artikel 11.58, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn toegestaan voor het bestrijden van het konijn (Oryctolagus cuniculus) en de vos (Vulpes vulpes) worden aangewezen:
geweren;
honden, met uitzondering van lange honden;
aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds;
kastvallen;
vangkooien;
fretten; en
buidels.
-
Aardhonden worden niet gebruikt voor het vangen of doden van vossen in holen in de periode van 1 maart tot en met 31 augustus.
-
De aangewezen middelen worden niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen. Dit geldt niet voor fretten, kastvallen, vangkooien en buidels.
Artikel 4.29
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, te vangen geldt niet voor het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond, voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
-
Het eerste lid geldt alleen als:
het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging krachtens:
- 1°
een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en
- 2°
artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren; en
- 1°
als het een zieke of gewonde ree, of een ziek of gewond edelhert, damhert of wild zwijn betreft: voorafgaand aan het vervoer melding is gedaan bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.
-
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond door personen die in dienst zijn van, of als opdrachtnemer of als vrijwilliger actief zijn voor een van de organisaties, bedoeld in het vierde lid, voor vervoer:
in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren; of
anders dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
-
Het derde lid geldt alleen als:
de uit het wild afkomstige zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond binnen twaalf uur wordt overgedragen aan een van de volgende organisaties:
- 1°
Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;
- 2°
Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;
- 3°
Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog;
- 4°
Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of
- 5°
Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling;
- 1°
de organisaties, genoemd onder a, bij de beslissing over het vangen, voor het vervoeren van het dier, het Handelingskader zeehondenopvang, opgenomen in bijlage VIIa, onder B, volgen, en als zij krachtens artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren zijn gerechtigd uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen; en
de in het derde lid bedoelde personen werkzaam zijn binnen het werkgebied van de organisatie, genoemd onder a, weergegeven op de kaart in bijlage VIIa, onder A, en aantoonbaar beschikken over:
- 1°
kennis van:
- i
gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
- ii
het beheer van de gewone en grijze zeehond;
- iii
de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
- iv
het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
- i
- 2°
bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.
- 1°
Artikel 4.30
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren of eieren van dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden aangewezen in bijlage VIIb, onder A.
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten als prooidieren voor die dieren aangewezen in bijlage VIIb, onder A en B.
-
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de diersoorten aangewezen in bijlage VIIb, onder B, met het oog op de productie van dierlijke producten.
Artikel 4.31
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om de vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, bij dat besluit, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen geldt niet als:
de Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is op grond van artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit;
het gaat om dieren en planten van de soorten aangewezen in bijlage VIIc; en
het gaat om handelingen in het kader van:
- 1°
bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°
bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;
- 3°
bestendig gebruik; of
- 4°
de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.
- 1°
Artikel 4.31a
-
Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in artikel 11.54 van dat besluit, die:
worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en
betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedagscode.
-
Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.59, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.31a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode.