Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 3

Beheer van de fysieke leefomgeving

Artikel 3.1

Deze afdeling is van toepassing op de beheersing van het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

Artikel 3.2

  1. Het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is en dat ligt:

    1. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de gevel, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag;

    2. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de locatie waar een gevel mag komen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag die gebouwd mag worden;

    3. als het gaat om een woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van de woonwagen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; en

    4. als het gaat om een woonschip: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip op 1 m boven het maaiveld.

  2. In het eerste lid wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip.

Artikel 3.3

  1. Het geluid in geluidgevoelige ruimten wordt bepaald door het geluid op de gevel te verminderen met de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, bepaald volgens NEN 5077 of NEN-EN-ISO 12354-3.

  2. Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 3 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.

Artikel 3.4

Bij het bepalen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw:

  1. wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten; en

  2. worden de waarden afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.

Artikel 3.5

Een geluidaandachtsgebied wordt bepaald volgens bijlage IVc.

Artikel 3.6

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen.

Artikel 3.7

De basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 3.27, eerste tot en met vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt berekend volgens bijlage IVd en afgerond op één decimaal.

Artikel 3.8

  1. Het geluid door een weg of spoorweg, bedoeld in artikel 3.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bepaald:

    1. voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe;

    2. voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf.

  2. In afwijking van artikel 3.4, onder b, worden de waarden van een weg of spoorweg bij de toepassing van artikel 5.78af van het Besluit kwaliteit leefomgeving en bij de toepassing van artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer niet afgerond.

Artikel 3.10

Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied worden de geluidbrongegevens gebruikt behorende bij de basisgeluidemissie.

Artikel 3.11

De geluidbrongegevens zijn voor een gemeenteweg en een waterschapsweg:

  1. per etmaalperiode het aantal motorvoertuigen, per categorie als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert;

  2. de per geluidemissietraject representatief te achten gemiddelde snelheid per categorie motorvoertuigen als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1;

  3. de geluidbronregisterlijnen van de weg, vastgelegd in x- en y-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en

  4. het wegdektype per geluidemissietraject.

Artikel 3.12

De geluidbrongegevens zijn voor een spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen:

  1. per etmaalperiode het aantal locomotieven, treinstellen, rijtuigen of wagens per spoorvoertuigcategorie als bedoeld in bijlage IVf, onder 1.2, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert met onderscheid naar de maximale snelheid van het type spoorvoertuig;

  2. de per geluidemissietraject, per etmaalperiode, representatief te achten snelheid met onderscheid naar doorgaande reizigersspoorvoertuigen, stoppende reizigersspoorvoertuigen en goederenspoorvoertuigen, waarbij wordt aangegeven of het remsysteem is ingeschakeld;

  3. de geluidbronregisterlijnen van de spoorweg, vastgelegd in x- en y-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  4. de spoorstaafruwheid, bepaald volgens bijlage IVf;

  5. de bovenbouwconstructie per spoor van de spoorweg; en

  6. de aanwezigheid van een wissel in een geluidemissietraject.

Artikel 3.13

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen die bij omgevingsverordening zijn aangewezen.

Artikel 3.14

  1. Het geluid door wegen en spoorwegen, bedoeld in artikel 3.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bepaald:

    1. voor het geluid door wegen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe;

    2. voor het geluid door wegen op een geluidreferentiepunt: volgens bijlage IVg, waarbij de waarde wordt afgerond op één decimaal;

    3. voor het geluid door spoorwegen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf; en

    4. voor het geluid door spoorwegen op een geluidreferentiepunt: volgens bijlage IVg, waarbij de waarde wordt afgerond op één decimaal.

  2. Bij het bepalen van het geluid door wegen en spoorwegen op een geluidgevoelig gebouw worden de geluidbrongegevens uit het geluidregister gebruikt.

  3. In afwijking van het tweede lid kunnen bij het bepalen van het geluid door een weg op een geluidgevoelig gebouw in plaats van de geluidbronregisterlijn ook alleen de bij de geluidbronregisterlijn behorende gegevens worden gebruikt.

  4. Bij het bepalen van het geluid door een weg op een geluidgevoelig gebouw of op een geluidreferentiepunt wordt bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds de plafondcorrectiewaarde uit het geluidregister opgeteld bij de geluidemissiegetallen LE, berekend volgens bijlage IVe.

  5. Bij het bepalen van het geluid door een spoorweg op een geluidgevoelig gebouw of op een geluidreferentiepunt wordt bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds de plafondcorrectiewaarde uit het geluidregister opgeteld bij de geluidemissiegetallen LE, berekend volgens bijlage IVf.

Artikel 3.15

  1. Bij het vaststellen van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde voor een weg of spoorweg worden geluidgevoelige gebouwen in aanmerking genomen die liggen binnen het gebied rond een geluidreferentiepunt en dat begrensd wordt volgens het tweede of derde lid.

  2. Als de weg of spoorweg waarop het geluidproductieplafond betrekking heeft niet eindigt, wordt het gebied, bedoeld in het eerste lid, begrensd door:

    1. de as van de weg of spoorweg;

    2. twee lijnen loodrecht op de as van de weg of spoorweg en op de halve afstand tot de in de lengterichting van de weg of spoorweg gezien naastliggende geluidreferentiepunten; en

    3. voor:

      1. rijkswegen en hoofdspoorwegen, in de richting loodrecht op de weg of spoorweg: de afstand waarop het geluid in de situatie zonder maatregelen als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving naar verwachting niet hoger is dan de standaardwaarde in Lden, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of, als deze afstand meer dan 2 km gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg bedraagt: een afstand van 2 km; en

      2. provinciale wegen en lokale spoorwegen: de begrenzing van het geluidaandachtsgebied of, als deze meer dan 2 km van de weg of spoorweg ligt: de afstand waarop het geluid niet meer toeneemt als gevolg van de vaststelling van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maar niet meer dan 2 km.

  3. Als de weg of spoorweg waarop het geluidproductieplafond betrekking heeft eindigt, wordt het gebied, bedoeld in het eerste lid, begrensd door:

    1. de as van de weg of spoorweg en de lijn in het verlengde daarvan;

    2. een lijn loodrecht op de as van de weg of spoorweg of het verlengde daarvan en op de halve afstand tussen het geluidreferentiepunt en het in de lengterichting van de weg of spoorweg gezien naastliggende geluidreferentiepunt; en

    3. voor:

      1. rijkswegen en hoofdspoorwegen, in de richting loodrecht op de weg of spoorweg: de afstand waarop het geluid in de situatie zonder maatregelen als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving naar verwachting niet hoger is dan de standaardwaarde in Lden, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of, als deze afstand meer dan 500 m gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg bedraagt: een afstand van 500 m; en

      2. provinciale wegen en lokale spoorwegen: de begrenzing van het geluidaandachtsgebied of, als deze meer dan 500 m van de weg of spoorweg ligt: de afstand waarop het geluid niet meer toeneemt als gevolg van de vaststelling van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maar niet meer dan 500 m.

  4. In afwijking van het eerste lid worden geluidgevoelige gebouwen binnen het gebied rond een geluidreferentiepunt waarvoor de waarde van het geluidproductieplafond alleen wordt verlaagd als gevolg van maatregelen die zijn vastgesteld op basis van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in het eerste lid, niet in aanmerking genomen.

Artikel 3.17

Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied worden de geluidbrongegevens gebruikt behorende bij de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden.

Artikel 3.18

De geluidbrongegevens zijn voor een rijksweg en een provinciale weg:

  1. per etmaalperiode het aantal motorvoertuigen, per categorie als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert;

  2. de representatief te achten gemiddelde snelheid per geluidemissietraject per categorie motorvoertuigen als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1;

  3. de geluidbronregisterlijnen van de weg, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  4. het wegdektype per geluidemissietraject;

  5. de afmetingen en locatie van geluidbeperkende werken of bouwwerken die zijn geplaatst om het geluid door de weg op een geluidgevoelig gebouw te beperken, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  6. de mate van absorptie en de profielafhankelijke correctieterm van geluidbeperkende werken of bouwwerken als bedoeld onder e en of het om een middenbermscherm, een scherm met schermtop of een diffractor gaat;

  7. de diffractoreigenschappen in octaafbanden; en

  8. de plafondcorrectiewaarde.

Artikel 3.19

De geluidbrongegevens zijn voor een spoorweg:

  1. per etmaalperiode het aantal locomotieven, treinstellen, rijtuigen of wagens per spoorvoertuigcategorie als bedoeld in bijlage IVf, onder 1.2, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert met onderscheid naar de maximale snelheid van het type spoorvoertuig;

  2. de per geluidemissietraject, per etmaalperiode, representatief te achten snelheid met onderscheid naar doorgaande reizigersspoorvoertuigen, stoppende reizigersspoorvoertuigen en goederenspoorvoertuigen, waarbij wordt aangegeven of het remsysteem is ingeschakeld;

  3. de geluidbronregisterlijnen van de spoorweg, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  4. de spoorstaafruwheid, bepaald volgens bijlage IVf;

  5. de bovenbouwconstructie per spoor van de spoorweg;

  6. de aanwezigheid van een wissel in een geluidemissietraject;

  7. de afmetingen en locatie van geluidbeperkende werken of bouwwerken die zijn geplaatst om het geluid door de spoorweg op een geluidgevoelig gebouw te beperken, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  8. de mate van absorptie en de profielafhankelijke correctieterm van geluidbeperkende werken of bouwwerken als bedoeld onder g;

  9. de plafondcorrectiewaarde; en

  10. de in artikel 3.23, eerste lid, onder a en b, genoemde geluidbrongegevens van stilstaande spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

Artikel 3.20

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld.

Artikel 3.21

  1. Het geluid door industrieterreinen, bedoeld in artikel 3.25 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bepaald:

    1. op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVh; en

    2. op een geluidreferentiepunt: volgens bijlage IVg, waarbij de waarde wordt afgerond op één decimaal.

  2. Bij het bepalen van het geluid door een industrieterrein op een geluidgevoelig gebouw worden de geluidbrongegevens uit het geluidregister gebruikt.

Artikel 3.22

Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein worden de geluidbrongegevens gebruikt behorende bij de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden.

Artikel 3.23

  1. De geluidbrongegevens zijn voor een industrieterrein:

    1. het immissierelevante geluidvermogen, bedoeld in paragraaf 2.3 van bijlage IVh, van een geluidbron met een bedrijfsduurcorrectie volgens de jaargemiddelde bedrijfssituatie, bedoeld in hoofdstuk 5 van bijlage IVh;

    2. de locatie van de geluidbron, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

    3. de hoogte van het maaiveld van de locatie van de geluidbron;

    4. de afmetingen, locatie en eigenschappen van voor de geluidoverdracht relevante objecten binnen het industrieterrein, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en

    5. de luchtabsorptiecoëfficiënten, als van de luchtabsorptiecoëfficiënten uit bijlage IVh, tabel 3.1, is afgeweken.

Artikel 3.24

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het gecumuleerde geluid en het gezamenlijke geluid op een geluidgevoelig gebouw.

Artikel 3.25

  1. Het gecumuleerde geluid wordt berekend door eerst het geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen om te rekenen naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt en dan het gecumuleerde geluid te berekenen volgens de formule uit het vierde lid.

  2. Het geluid door wegen, spoorwegen, industrieterreinen, windturbines en schietbanen wordt omgerekend naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt, volgens de formules:

    1. voor wegen:

    2. voor spoorwegen:

    3. voor industrieterreinen:

    4. voor windturbines:

    5. voor schietbanen: waarbij: LVL, LRL, LIL en LWT worden uitgedrukt in Lden en LSG wordt uitgedrukt in BS,dan.

  3. Vanaf een bij ministerieel besluit te bepalen tijdstip wordt het geluid door luchtvaart omgerekend naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt, volgens de formule:

    waarbij: LLL wordt uitgedrukt in Lden.

  4. Het gecumuleerde geluid Lcum wordt berekend volgens de formule:

    waarbij gesommeerd wordt over alle N betrokken geluidbronnen en de index n staat voor de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen, bedoeld in het eerste lid of, als geluid door andere geluidbronnen wordt betrokken, het geluid door die geluidbronnen.

Artikel 3.26

  1. Het gezamenlijke geluid wordt berekend door het geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen op te tellen volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    Lg: gezamenlijk geluid; en

    k: geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen.

  2. Als bij het bepalen van de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een geluidgevoelige ruimte, bedoeld in artikel 3.53, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van NEN 5077 om afwijkende spectra te gebruiken, wordt ook het gezamenlijk geluid per octaafbandindex berekend volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    i: octaafbandindex; en

    k: geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen.

Artikel 3.27

  1. Bij het berekenen van het gecumuleerde geluid en het gezamenlijke geluid worden bij het berekenen van het geluid door luchtvaart, windturbines, buitenschietbanen en springterreinen als bedoeld in artikel 3.38, derde lid, onder b, c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de geluidbrongegevens uit het geluidregister gebruikt.

  2. In afwijking van artikel 3.4, onder b, worden de waarden van het geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen, bedoeld in de artikelen 3.25, eerste lid, en 3.26, eerste lid niet afgerond.

Artikel 3.28

Voor de toepassing van de artikelen 3.25, 3.26 en 3.27 zijn de geluidbrongegevens voor een windturbine:

  1. de emissieterm LE, bedoeld in paragraaf 2.4.1 van bijlage IVi, van een windturbine;

  2. de locatie van het middelpunt van de rotor, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en

  3. de ashoogte in meters ten opzichte van het maaiveld.

Artikel 3.29

  1. Het aantal maatregelpunten als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bepaald volgens bijlage IVj, tabellen 1 en 2.

  2. De maatregelpunten omvatten het totaal van de maatregelpunten van bestaande en nieuw te treffen geluidbeperkende maatregelen waarvoor maatregelpunten gelden, ten opzichte van een weg of spoorweg in de situatie zonder maatregelen, bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  3. Bij het toepassen van tabel 2 van bijlage IVj wordt de hoogte van een geluidscherm of geluidwal bepaald ten opzichte van de bovenkant van het spoor of de kantstreep van de weg aan de zijde van het scherm.

  4. De maatregelen, bedoeld in bijlage IVj, tabel 3, zijn geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 3.49, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan de financiële doelmatigheid wordt bepaald door de werkelijke kosten van aanleg en onderhoud van die maatregel af te wegen tegen de geluidreductie die door de maatregel wordt bereikt en de daaruit voortvloeiende waarde van het geluid.

Artikel 3.30

  1. De faunabeheereenheid met het werkgebied bestaande uit de terreinen, bedoeld in artikel 6.4 van het Omgevingsbesluit, heeft de rechtsvorm van een stichting. De leden van het bestuur van de stichting worden benoemd en ontslagen door de gerechtigde, bedoeld in artikel 6.4 van dat besluit.

  2. Het faunabeheerplan dat door de faunabeheereenheid, bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld bevat ten minste de volgende gegevens:

    1. de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

    2. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;

    3. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

    4. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de diersoorten, bedoeld onder c, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, wanneer niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;

    5. een beschrijving van de mate waarin de belangen, bedoeld onder d, zijn geschaad in de vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip van de aanvraag om goedkeuring van het faunabeheerplan;

    6. de gewenste stand van de diersoorten, bedoeld onder c;

    7. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de maatregelen die zullen worden getroffen om de gewenste stand, bedoeld onder f, te bereiken;

    8. per diersoort en gewas een beschrijving van de maatregelen die in de periode, bedoeld onder e, zijn getroffen om het schaden van de belangen, bedoeld onder d, te voorkomen, en voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn: een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen;

    9. voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen: een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

    10. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de maatregelen, bedoeld onder g, zullen worden getroffen;

    11. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn: een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de onder g bedoelde maatregelen; en

    12. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen maatregelen zal worden bepaald.

  3. Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar.

  4. De jachthouder van de terreinen, bedoeld in artikel 6.4 van het Omgevingsbesluit, is uitgezonderd van de aansluitplicht, bedoeld in artikel 8.2, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 3.31

  1. Een examen voor een jachtgeweeractiviteit komt alleen voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking als de kennis, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst met:

    1. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:

      1. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      2. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e en f, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      3. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder g en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      4. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder i en j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

      5. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. ten minste vijfentwintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:

      1. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

      2. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, d, e, f, g, h, i, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. De vaardigheid en bekwaamheid, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor een jachtgeweeractiviteit worden getoetst door middel van:

    1. het schieten op ten minste vijfentwintig kleiduiven met hagel;

    2. het doen van ten minste vier schoten in twee series van twee schoten met groot-kaliber kogelgeweer op een doel gelegen op een afstand van ten minste 50 m; en

    3. het tonen van weidelijk gedrag en bekwaamheid in het veilig omgaan met een geweer in ten minste tien gesimuleerde situaties.

  3. Het examen voor een jachtgeweeractiviteit is alleen met gunstig gevolg afgelegd als degene die het examen aflegt:

    1. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;

    2. bij het schieten, bedoeld in het tweede lid, onder a, ten minste achttien van de vijfentwintig kleiduiven heeft geraakt;

    3. bij het doen van schoten als bedoeld in het tweede lid, onder b, ten minste drie treffers heeft die liggen binnen een cirkel van 15 cm; en

    4. naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt weidelijk gedrag en bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onder c, heeft getoond.

Artikel 3.32

  1. Een examen voor een valkeniersactiviteit komt alleen voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking als de kennis, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst met:

    1. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:

      1. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      2. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      3. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder g en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      4. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

      5. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. ten minste twintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:

      1. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

      2. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, e, g, h, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. De bekwaamheid, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst bij de beoordeling van twee stages van een jaar bij twee mentoren, aangewezen door de in artikel 3.34 genoemde organisatie. De stages hebben tot doel om bekwaamheid te verwerven in de omgang met jachtvogels, het dragen en zeeg maken van jachtvogels, de verzorging van jachtvogels, het aanleggen van tuig, het doden van prooien en slachten van aasdieren, het aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels, het voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels, het zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels, het beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels, het toepassen van fretten en het gebruik van fluit, loer en balg.

  3. Het examen voor een valkeniersactiviteit is alleen met gunstig gevolg afgelegd als degene die het examen aflegt:

    1. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord; en

    2. naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt voldoende bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid heeft verworven.

Artikel 3.33

  1. Een examen voor het gebruik van eendenkooien komt alleen voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking als de kennis, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst met:

    1. ten minste veertig meerkeuzevragen, waarvan:

      1. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      2. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

      3. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

      4. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    2. ten minste vijftien meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:

      1. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

      2. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, e, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. Het examen voor het gebruik van eendenkooien is alleen met gunstig gevolg afgelegd als degene die het examen aflegt van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord.

Artikel 3.34

Als examen worden erkend als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving de volgende, door de Stichting Jachtexamens afgenomen, examens:

  1. voor een jachtgeweeractiviteit: het jachtexamen;

  2. voor een valkeniersactiviteit: het examen voor het gebruik van jachtvogels; en

  3. voor het gebruik van eendenkooien: het examen voor het gebruik van eendenkooien.

Artikel 3.35

Als gelijkwaardige examens als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangewezen:

  1. met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen, het Belgisch ministerieel besluit van 2 maart 1977 tot inrichting van het jachtexamen en het Besluit van de Vlaamse Executieve van 29 mei 1991 tot inrichting van het jachtexamen;

  2. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Vlaamse regering van 18 januari 1995 betreffende de organisatie van het jachtexamen;

  3. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Waalse regering van 2 april 1998 tot organisatie van het jachtexamen in het Waalse Gewest;

  4. met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 21 januari 1991 tot organisatie van het jachtexamen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;

  5. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het gewijzigde Règlement grand-ducal van 16 april 1991 betreffende de voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot de bekwaamheidsproef voor het verlenen van een eerste jachtvergunning; en

  6. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Bundesjagdgesetz.

Artikel 3.36

Deze afdeling is van toepassing op het bepalen van de gelijke hoedanigheid en de gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden van onroerende zaken binnen een herverkavelingsblok, bedoeld in artikel 12.26, tweede lid, van de wet, in het kader van de voorbereiding van het ruilbesluit.

Artikel 3.37

  1. De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald volgens de artikelen 3.38 tot en met 3.40.

  2. De gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden van onroerende zaken worden bepaald volgens de artikelen 3.41 en 3.42.

Artikel 3.38

  1. De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt uiterlijk op het in artikel 16.125, tweede lid, van de wet laatstbedoelde tijdstip bepaald.

  2. De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald voor zover deze uitruilbaar zijn op grond van de artikelen 10.4 tot en met 10.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.39

  1. De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken:

    1. de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de lagen in de bodem tot ten minste een diepte van 1 m onder het maaiveld; en

    2. de grondwaterkarakteristiek.

  2. De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald aan de hand van de Bodemkaart van Nederland en de Kaart Grondwaterdynamiek met een schaal van 1:50.000. Als de landinrichting plaatsvindt in een gebied met een grote diversiteit in de bodemkenmerken of de grondwaterkarakteristiek, worden deelkaarten van de Bodemkaart van Nederland en de Kaart Grondwaterdynamiek met een grotere schaal dan 1:50.000 gebruikt.

  3. Als deelkaarten niet beschikbaar zijn, wordt de gelijke hoedanigheid van onroerende zaken bepaald op basis van een advies van deskundigen.

Artikel 3.40

Bij het bepalen van de gelijke hoedanigheid van onroerende zaken blijven de volgende kenmerken buiten beschouwing:

  1. het feitelijke gebruik;

  2. de verkavelingssituatie;

  3. de ontsluitingssituatie;

  4. de beheersing van het oppervlaktewaterpeil;

  5. de mate van egaliteit van het maaiveld;

  6. de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten of kabels en leidingen;

  7. de aanwezigheid van beregeningsinstallaties of drainage;

  8. overige fysieke kenmerken die het feitelijke gebruik beïnvloeden; en

  9. andere dan agrarische kenmerken.

Artikel 3.41

  1. Van onroerende zaken met een gelijke hoedanigheid worden de gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden bepaald aan de hand van de bodemgeschiktheid.

  2. De bodemgeschiktheid wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken:

    1. de ontwateringstoestand;

    2. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewassen;

    3. de stevigheid van de bovengrond;

    4. de verkruimelbaarheid van de bodem;

    5. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;

    6. de stuifgevoeligheid van de bodem; en

    7. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevindt.

  3. Voor elke gebruiksmogelijkheid wordt bepaald welke kenmerken doorslaggevend zijn.

Artikel 3.42

  1. Binnen een gebruiksmogelijkheid wordt de bodemgeschiktheid ingedeeld in ten minste vijf klassen.

  2. De klassenindeling wordt op een kaart vermeld.

Artikel 3.43

Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties als bedoeld in artikel 6.45 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 3.44

  1. Een aanvraag tot aanwijzing als certificatie-instelling wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. de vestigingsplaats van de aanvrager;

    2. het nummer waarmee de certificatie-instelling is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en

    3. het certificatieschema waarop de aanvraag betrekking heeft en het bewijs van accreditatie voor dat schema.

  3. In plaats van het bewijs van accreditatie, bedoeld in het tweede lid, onder c, kan, in het geval de aanvrager nog niet geaccrediteerd is, tot 1 januari 2023 een bewijs van de nationale accreditatie-instantie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie, worden verstrekt dat de aanvraag voor het verkrijgen van accreditatie voor dat schema volledig is en door de nationale accreditatie-instantie in behandeling is genomen.

  4. Een aanwijzing als certificatie-instelling heeft betrekking op de werkzaamheden die zijn opgenomen in het certificatieschema waarvoor de certificatie-instelling is geaccrediteerd.

Artikel 3.45

Een certificatieschema vermeldt in ieder geval:

  1. voor welk type of welke typen gasverbrandingsinstallaties het schema is bedoeld; en

  2. welke van de in het schema opgenomen eisen voor certificaathouders voorgeschreven zijn door paragraaf 6.5.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en deze afdeling.

Artikel 3.46

Een certificatieschema schrijft in ieder geval voor dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 6.45, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  1. een certificaathouder voorafgaand aan de werkzaamheden een meting van de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel uitvoert;

  2. een certificaathouder de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel heeft gemeten en deze concentratie lager dan 5 ppm is;

  3. een certificaathouder, wanneer de gasverbrandingsinstallatie daar een voorziening voor heeft, de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel heeft gemeten en de concentratie niet hoger is dan:

    1. 50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel;

    2. 200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel; of

    3. 400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel;

  4. door de certificaathouder wordt gecontroleerd of het gebruiksvoorschrift van het gasverbrandingstoestel aanwezig is en dat zij, als dit niet het geval is, de gebruiker of bewoner wijzen op het ontbreken van deze informatie; en

  5. de certificaathouder de werkzaamheden uitvoert volgens de installatie- en onderhoudsvoorschriften van de leverancier of de fabrikant van de installatie, voor zover de voorschriften niet in strijd zijn met hetgeen in deze afdeling is bepaald.

Artikel 3.47

Een certificatieschema schrijft voor dat de persoon die de inbedrijfstelling uitvoert, met het oog op het kunnen voldoen aan de in artikel 3.46 bedoelde eisen, aantoonbaar in staat is:

  1. de opstelruimte voor gasverbrandingsinstallaties, in ieder geval inhoudende de ventilatievoorziening, te beoordelen;

  2. rookgasafvoerkanalen en -leidingen inclusief uitmonding, te beoordelen en te beproeven;

  3. collectieve rookgasafvoeren te beoordelen en te beproeven, in het geval van werkzaamheden daaraan;

  4. de toevoer van verbrandingslucht te beoordelen;

  5. de veiligheid van gasverbrandingsinstallaties te beoordelen daar waar het gaat om het vrijkomen van koolmonoxide;

  6. gasverbrandingsinstallaties in bedrijf te stellen;

  7. de metingen en controles, bedoeld in artikel 3.46, onder a, b en c, te verrichten alsmede de resultaten van deze metingen en controles te interpreteren; en

  8. voorlichting te geven aan de gebruiker over het functioneren van de gasverbrandingsinstallatie in samenhang met het systeem, inclusief luchttoevoer, rookgasafvoer en plaatsing in het gebouw.

Artikel 3.48

  1. Een aanvraag tot aanwijzing van een certificatieschema als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. de vestigingsplaats van de aanvrager;

    2. het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en

    3. het certificatieschema waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 3.49

  1. De certificatie-instelling zendt jaarlijks voor 1 maart het verslag, bedoeld in artikel 10.14b, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  2. In het verslag worden in ieder geval de volgende onderwerpen behandeld:

    1. een overzicht van de controles die de certificatie-instelling heeft uitgevoerd, inclusief de resultaten van elke controle;

    2. de door de instelling afgegeven, ingetrokken en geschorste certificaten;

    3. wijzigingen in de voor de instelling relevante accreditaties, reglementen en procedures;

    4. knelpunten die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan;

    5. de hoeveelheid en aard van de door de certificatie-instelling ontvangen klachten en de wijze van afhandeling daarvan; en

    6. ingediende bezwaren op beslissingen van de certificatie-instelling over al dan niet verleende certificaten en de ingestelde beroepen tegen de beslissingen op bezwaar, alsmede de wijze van afhandeling daarvan.

  3. Over iedere melding als bedoeld in artikel 6.46 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt in het verslag ten minste de volgende informatie verstrekt:

    1. de gemeten concentratie koolmonoxide; en

    2. een beschrijving van de ruimte waarin de concentratie is gemeten.

Artikel 3.50

  1. In het register, bedoeld in artikel 10.14a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden de volgende gegevens over certificaathouders opgenomen:

    1. het nummer waarmee de certificaathouder geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

    2. een beschrijving van de werkzaamheden die door de certificaathouder mogen worden uitgevoerd;

    3. het schema waarvoor het certificaat is verleend; en

    4. de datum waarop een certificaat is verleend, geschorst of ingetrokken, de geldigheidsduur van het certificaat en, in het geval van schorsing, de termijn van de schorsing.

  2. De certificatie-instelling verstrekt de gegevens aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 3.51

  1. De in een instrument voor kwaliteitsborging beschreven eisen over de opleiding en ervaring, bedoeld in artikel 3.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, omvatten voor de kwaliteitsborging van bouwactiviteiten onder gevolgklasse 1 ten minste:

    1. voor werkzaamheden in het kader van risicobeoordelingen, vaststellen van borgingsplannen en de algemene coördinatie bij kwaliteitsborging:

      1. een diploma op HBO-niveau;

      2. kennis van de inhoud en systematiek van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en

      3. drie jaar werkervaring als leidinggevende met:

        1. i

          het coördineren en organiseren van bouwprojecten;

        2. ii

          het uitvoeren van risicobeoordelingen van bouwplannen;

        3. iii

          het vaststellen van borgingsplannen; en

        4. iv

          het controleren en beoordelen van bouwplannen aan de algemene bepalingen voor bouwwerken en de regels voor bruikbaarheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving;

    2. voor werkzaamheden in het kader van constructieve veiligheid:

      1. een diploma op HBO-niveau;

      2. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de regels voor constructieve veiligheid; en

      3. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van:

        1. i

          constructies op het voldoen aan de regels voor constructieve veiligheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving;

        2. ii

          constructietekeningen en –berekeningen, inclusief de schematisering en de toegepaste rekenmethoden; en

        3. iii

          constructieve bouwmaterialen;

    3. voor werkzaamheden in het kader van brandveiligheid:

      1. een diploma op HBO-niveau;

      2. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de regels voor brandveiligheid; en

      3. vijf jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels voor brandveiligheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving;

    4. voor werkzaamheden in het kader van bouwfysica:

      1. een diploma op MBO4-niveau;

      2. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving over de regels voor gezondheid, energiezuinigheid en milieu; en

      3. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van:

        1. i

          bouwplannen op het voldoen aan de regels voor gezondheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving;

        2. ii

          bouwplannen op het voldoen aan de regels voor energiezuinigheid en milieu van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; en

        3. iii

          gelijkwaardige oplossingen in het kader van gezondheid, energiezuinigheid en milieu;

    5. voor werkzaamheden in het kader van installaties:

      1. een diploma op MBO4-niveau;

      2. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving over de regels voor installaties; en

      3. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van:

        1. i

          installaties op het voldoen aan de regels van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; en

        2. ii

          gelijkwaardige oplossingen in het kader van installaties; en

    6. voor werkzaamheden in het kader van controle op de bouw:

      1. een diploma op MBO4-niveau;

      2. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en

      3. drie jaar werkervaring met het tijdens de uitvoering controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  2. Aan de in het eerste lid beschreven eisen is ook voldaan als door ervaring een aantoonbaar gelijkwaardig kennisniveau is verkregen.

  3. Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat uitvoerenden van werkzaamheden in het kader van kwaliteitsborging:

    1. beschikken over actuele kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en

    2. ten minste iedere twee jaar bijscholen op de deelgebieden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.52

Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat alle gegevens en bescheiden over de werkzaamheden van de kwaliteitsborging van een project ten minste zeven jaar na het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 3.86, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving door de kwaliteitsborger worden bewaard.

Artikel 3.53

  1. Het instrument voor kwaliteitsborging beschrijft dat de projectgegevens die de kwaliteitsborger aan een instrumentaanbieder verstrekt, ten minste omvatten:

    1. de projectnaam en de locatie;

    2. de gevolgklasse en het type bouwwerk;

    3. een beknopte beschrijving van de bouwactiviteit;

    4. de lokale of kadastrale aanduiding van het bouwwerk waarop de bouwactiviteit betrekking heeft;

    5. de projectplanning met ten minste de begindatum en de einddatum van de bouwwerkzaamheden; en

    6. een beschrijving van de onafhankelijke positie van de kwaliteitsborger ten opzichte van de te borgen bouwactiviteit.

  2. Het instrument voor kwaliteitsborging beschrijft dat de in het eerste lid, genoemde gegevens en bescheiden uiterlijk twee dagen voor het begin van de bouwwerkzaamheden worden verstrekt.

  3. Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat na afronding van elk project ten minste wordt verstrekt:

    1. het geactualiseerde borgingsplan, met inbegrip van de risicobeoordeling; en

    2. de verklaring, bedoeld in 3.86, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.54

Het formulier voor de verklaring, bedoeld in artikel 3.86, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage IVK.

Artikel 3.55

  1. De bijdrage per instrumentaanbieder voor de toezichtkosten van de toelatingsorganisatie wordt berekend als volgt:

    1. per instrument wordt een variabele bijdrage in rekening gebracht, gebaseerd op het aantal keren dat het instrument per gevolgklasse wordt toegepast, waarbij onderscheid wordt gemaakt in een bedrag per woning en een bedrag per overig bouwwerk; en

    2. als peildatum voor het aantal projecten geldt de begindatum van de bouwwerkzaamheden, zoals door de instrumentaanbieder gemeld aan de toelatingsorganisatie.

  2. De variabele marktbijdrage, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt per instrumentaanbieder vastgesteld door middel van de volgende formule, waarbij wordt verstaan onder:

    marktbijdrage toezichtskosten per instrument

    gk: gevolgklasse;

    B: totale toezichtkosten toelatingsorganisatie;

    W: totaal aantal woningen per gevolgklasse, zoals door de instrumentaanbieder gemeld aan de toelatingsorganisatie; en

    P: totaal aantal utiliteitsbouw plus infrastructuurprojecten per gevolgklasse, zoals door de instrumentaanbieder gemeld aan de toelatingsorganisatie.

Artikel 3.56

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 10.26b, eerste lid, van het Omgevingsbesluit, zijn vastgelegd in bijlage IVL.

Artikel 3.57

  1. Voor de volgende categorieën van projecten bevat AERIUS Register compartimenten als bedoeld in artikel 10.25, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en is de stikstofdepositieruimte beschikbaar die is opgenomen in dat compartiment:

    1. Natura 2000-activiteiten die betrekking hebben op de bouw van niet op een distributienet voor aardgas aangesloten woningen, inclusief het realiseren van noodzakelijke en direct met het project samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;

    2. op wegen in beheer bij het Rijk betrekking hebbende renovatieprojecten en projecten ter vergroting van de veiligheid van weggebruikers en anderen op die wegen;

    3. gemelde PAS-projecten;

    4. rijksvastgoedprojecten;

    5. projecten van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

    6. projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving;

    7. projecten van de Minister van Defensie; en

    8. projecten waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn voor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of waarvoor de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een dergelijke vergunning op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit instemming van gedeputeerde staten behoeft.

  2. De compartimenten voor de categorieën projecten, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, gelden als een gezamenlijk compartiment waarvan de stikstofdepositieruimte beschikbaar wordt gesteld als bepaald in artikel 3.71.

Artikel 3.58

  1. Een maatregel voor het verkrijgen van stikstofdepositie als bedoeld in artikel 10.25, derde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waardoor stikstofdepositieruimte ontstaat, is in ieder geval:

    1. de onomkeerbare sluiting van varkenshouderijlocaties op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen;

    2. de blijvende vermindering van de stikstofemissie, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden zoals zij luidde tot 1 december 2022;

    3. de blijvende vermindering van stikstofemissie door maatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders 2024;

    4. een maatregel waarvan kennis is gegeven overeenkomstig artikel 10.36dd van het Omgevingsbesluit, getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van:

      1. de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;

      2. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

      3. de Minister van Klimaat en Groene Groei;

      4. de Minister van Defensie; en

      5. provinciale staten of gedeputeerde staten.

  2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder d, die is afgestemd met een van de daar genoemde bestuursorganen kan ook een maatregel van een ander bestuursorgaan zijn die is genomen om stikstofdepositieruimte te verkrijgen.

  3. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder d, is kan in ieder geval zijn:

    1. de intrekking of wijziging van een toestemming voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt waardoor de stikstofdepositie door die activiteit vermindert; en

    2. een wettelijk voorschrift of ander besluit dat leidt tot een vermindering van de stikstofdepositie door een toegestane activiteit.

  4. In het derde lid, onder a, wordt verstaan onder toestemming:

    1. een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;

    2. een ander op een Natura 2000-activiteit betrekking hebbend besluit voor het nemen waarvan de gevolgen van de activiteit voor de fysieke leefomgeving zijn beoordeeld; en

    3. als een vergunning of besluit als bedoeld onder a of b ontbreekt en als de activiteit rechtmatig werd uitgevoerd op de datum waarop artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied en sindsdien onafgebroken is uitgevoerd: de meest beperkende toestemming volgend uit:

      1. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

      2. een melding als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

      3. een ander op een Natura 2000-activiteit betrekking hebbend besluit of wettelijk voorschrift.

Artikel 3.59

  1. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur draagt zorg voor het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door:

    1. een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder a, b en c; en

    2. een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, tweede lid, voor zover deze niet door een ander bestuursorgaan is aangemerkt als maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder d, aanhef en onder 1° tot en met 5°.

  2. De ministers die het aangaat dragen zorg voor het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder d, aanhef en onder 1° tot en met 4°.

  3. Gedeputeerde staten dragen zorg voor het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder d, aanhef en onder 5°.

  4. De ministers die het aangaat en gedeputeerde staten kunnen stikstofdepositieruimte in AERIUS Register opnemen waarvan vervolgens ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar kan worden gebruikt in een besluit waarbij een project wordt toegestaan als bedoeld in artikel 8.74e van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als de stikstofdepositieruimte ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58.

Artikel 3.60

  1. De ministers die het aangaat en gedeputeerde staten nemen ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste en tweede lid, als stikstofdepositieruimte in AERIUS Register op. De beperking tot ten hoogste 70% geldt niet voor stikstofdepositieruimte die het gevolg is van een maatregel waarbij al eerder aan deze beperking toepassing is gegeven.

  2. De ministers die het aangaat en gedeputeerde staten nemen stikstofdepositieruimte alleen in AERIUS Register op:

    1. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift of een besluit nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden;

    2. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en

    3. als handhaving van de wettelijke voorschriften die verband houden met de maatregel voldoende is verzekerd.

Artikel 3.61

  1. Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in 3.58, eerste lid, onder a of b, is alleen beschikbaar voor:

    1. gemelde PAS-projecten;

    2. woningbouwprojecten als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder a; en

    3. projecten ten aanzien van wegen in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder b.

  2. Stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid is gedurende de eerste 17 weken na de datum waarop zij in AERIUS Register is opgenomen, alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten.

  3. In afwijking van het tweede lid kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid ook beschikbaar stellen voor een woningbouwproject, als de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening:

    1. hem uiterlijk drie weken voor het opnemen van de stikstofdepositieruimte in AERIUS Register heeft geïnformeerd dat voor het project een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit:

      1. is aangevraagd; of

      2. naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangevraagd voordat in bijlage II een nieuwe versie van AERIUS Register wordt aangewezen; en

    2. daarbij een berekening op hexagoonniveau van de benodigde stikstofdepositieruimte voor het project heeft overgelegd.

Artikel 3.62

Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder c, is alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten.

Artikel 3.63

  1. Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel die is getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de volgende ministers, is alleen beschikbaar voor de volgende projecten:

    1. de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening: rijksvastgoedprojecten en woningbouwprojecten als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder a;

    2. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat: projecten van die minister;

    3. de Minister van Klimaat en Groene Groei: projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving; en

    4. de Minister van Defensie: projecten van die minister.

  2. De minister die het aangaat kan de stikstofdepositieruimte op verzoek van een andere minister of gedeputeerde staten ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in artikel 3.57.

Artikel 3.64

  1. Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in 3.58, eerste lid, onder d, aanhef en onder 5°, is alleen beschikbaar voor projecten waarvoor gedeputeerde staten van de betrokken provincie bevoegd gezag zijn voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of waarvoor de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een dergelijke vergunning op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit instemming van gedeputeerde staten behoeft.

  2. Gedeputeerde staten kunnen de stikstofdepositieruimte op verzoek van een minister of gedeputeerde staten van een andere provincie ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in 3.57.

Artikel 3.65

In afwijking van de artikelen 3.61 tot en met 3.64 is stikstofdepositieruimte ten aanzien waarvan artikel 3.59, vierde lid, is toegepast, beschikbaar voor alle in artikel 3.57 bedoelde projecten.

Artikel 3.66

  1. De op het moment van reservering of toedeling beschikbare stikstofdepositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied wordt berekend volgens de volgende formule:

    beschikbare stikstofdepositieruimte = AERIUS – reservering/toedeling + doorhaling + omzetting.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    1. AERIUS: in AERIUS Register voor die hectare opgenomen stikstofdepositieruimte;

    1. reservering of toedeling: stikstofdepositieruimte die tot het moment van reservering of toedeling voor andere projecten is gereserveerd of aan andere projecten is toegedeeld;

    1. doorhaling: stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar is gekomen na het wijzigen, intrekken of vervallen van een reservering of na het wijzigen of intrekken van een aanvraag om een omgevingsvergunning;

    1. omzetting: stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar is gekomen na het intrekken of vernietigen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, of die weer beschikbaar is gekomen nadat een activiteit is beëindigd.

Artikel 3.67

  1. Stikstofdepositieruimte kan worden gereserveerd door:

    1. het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor projecten als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder a tot en met g; en

    2. gedeputeerde staten voor andere projecten dan bedoeld in artikel 3.57, eerste lid,onder a, b en c, waarvoor zij het bevoegd gezag zijn voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of waarvoor de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een dergelijke vergunning op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit instemming van gedeputeerde staten behoeft.

  2. Stikstofdepositieruimte voor projecten als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder a, b en c, ten aanzien waarvan artikel 3.69 is toegepast, kan worden gereserveerd nadat 17 weken zijn verstreken na de datum waarop de stikstofdepositieruimte in AERIUS Register is opgenomen.

  3. Gedeputeerde staten reserveren alleen stikstofdepositieruimte voor een woningbouwproject als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

  4. Een reservering als bedoeld in het eerste lid vervalt als het bevoegd gezag een beslissing heeft genomen op de aanvraag om de omgevingsvergunning.

Artikel 3.68

  1. Bij de aanvraag van het college van burgemeester en wethouders om een reservering voor een woningbouwcluster als bedoeld in artikel 10.27, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een berekening overgelegd waaruit blijkt dat in AERIUS Register binnen de stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in 3.58, eerste lid, onder d, voldoende stikstofdepositieruimte beschikbaar is voor het woningbouwcluster.

  2. Gedeputeerde staten beslissen over de reservering in de volgorde waarin de aanvragen zijn ontvangen.

  3. Gedeputeerde staten reserveren alleen stikstofdepositieruimte voor een woningbouwcluster als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

  4. Een reservering voor een woningbouwcluster vervalt voor zover gedeputeerde staten stikstofdepositieruimte reserveren voor de woningbouwprojecten in dat cluster, maar in ieder geval als sinds de reservering twee jaar zijn verstreken.

  5. Gedeputeerde staten kunnen de termijn, bedoeld in het vierde lid, eenmaal verlengen met ten hoogste een jaar.

Artikel 3.69

  1. Het bevoegd gezag reserveert alleen stikstofdepositieruimte voor een gemeld PAS-project als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    1. voor het project gold een meldingsplicht op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof, zoals deze regeling luidde tot 1 januari 2017, of op grond van artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming, zoals deze luidde op 28 mei 2019;

    2. voor het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019 een melding gedaan;

    3. het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019:

      1. volledig gerealiseerd, waaronder wordt verstaan dat installaties, gebouwen en infrastructuur waren opgericht;

      2. nog niet volledig gerealiseerd, maar de initiatiefnemer heeft in die periode al wel een begin gemaakt met de realisatie, zoals aanleg of bouw van installaties, gebouwen en infrastructuur; of

      3. nog niet begonnen, maar in die periode zijn al wel onomkeerbare en significante investeringsverplichtingen voor het project aangegaan;

    4. voor de activiteit waarop de melding betrekking heeft, is geen toereikende en onherroepelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verleend;

    5. als de melding betrekking heeft op een wijziging van een project dat geheel of gedeeltelijk was gerealiseerd voor 1 februari 2009 maar na de datum waarop artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied, dan is de totale stikstofdepositie die door het gewijzigde project wordt veroorzaakt op een voor stikstof gevoelige habitat in dat gebied niet groter dan de op het moment van de melding geldende grenswaarde, bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming zoals dat besluit luidde op 28 mei 2019;

    6. als het project dat wordt uitgevoerd, substantieel afwijkt van het gemelde project en het gewijzigde project veroorzaakt niet meer stikstofdepositie op een of meer voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden dan het gemelde project; en

    7. de activiteit waarop het project betrekking heeft, wordt nog verricht.

  2. Het eerste lid, onder g, geldt niet als het project voldoet aan het eerste lid, onder c, onder 3°.

Artikel 3.70

Het bevoegd gezag geeft bij het reserveren van stikstofdepositieruimte voor gemelde PAS-projecten voorrang aan projecten ten aanzien waarvan het een verzoek heeft ontvangen tot handhaving van het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming zoals dat luidde op 31 december 2023, of van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de wet, om zonder vergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten te realiseren. Als het na toepassing van de eerste zin noodzakelijk is om een keuze te maken tussen projecten, kiest het bevoegd gezag de combinatie van projecten die gezamenlijk voor een optimale benutting van de beschikbare stikstofdepositieruimte zorgt.

Artikel 3.71

  1. Het bevoegd gezag kan voor gemelde PAS-projecten alleen stikstofdepositieruimte reserveren als deze zijn geselecteerd met toepassing van artikel 3.70.

  2. Het bevoegd gezag kan de ruimte reserveren na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor dat project.

Artikel 3.72

  1. Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit draagt zorg voor:

    1. afschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die aan het project is toegedeeld;

    2. doorhaling van gereserveerde stikstofdepositieruimte als de betrokken vergunningaanvraag is ingetrokken of als een beslissing is genomen op de betrokken aanvraag; en

    3. omzetting van toegedeelde in gereserveerde stikstofdepositieruimte als de vergunning is vernietigd.

  2. Voor projectbesluiten voor een autoweg, autosnelweg, spoorweg of vaarweg van nationaal belang en voor tracébesluiten als bedoeld in artikel 9 van de Tracéwet zoals deze wet luidde tot 1 januari 2024 en waarop die wet van toepassing is op grond van artikel 4.44, 4.45 of 4.46 van de Invoeringswet Omgevingswet draagt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorg voor:

    1. afschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die hij heeft toegedeeld; en

    2. omzetting van toegedeelde in gereserveerde stikstofdepositieruimte als het projectbesluit of tracébesluit is vernietigd.

  3. Voor kavelbesluiten draagt de Minister van Klimaat en Groene Groei zorg voor:

    1. afschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die hij heeft toegedeeld; en

    2. omzetting van toegedeelde in gereserveerde stikstofdepositieruimte als het kavelbesluit is vernietigd.

  4. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen kunnen zorg dragen voor de bijschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar komt wanneer:

    1. het besluit waarin stikstofdepositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken voordat het project is begonnen; of

    2. de bouw- en aanlegfase waarvoor stikstofdepositieruimte is toegedeeld, is afgerond.

  5. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen dragen zorg voor de bijschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar komt, als het besluit waarin stikstofdepositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken of gewijzigd.

Artikel 3.73

Stikstofdepositie in het register wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar.

← terug naar Omgevingsregeling