Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

Afdeling 12.2

Milieu en gezondheid

Artikel 12.3

  1. De paragrafen 12.2.1.2 en 12.2.1.3 zijn van toepassing op:

    1. de monitoring, bedoeld in artikel 11.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.8 van dat besluit; en

    2. de monitoring, bedoeld in artikel 11.23 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de andere parameters voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in artikel 11.23, eerste lid, van dat besluit.

  2. De artikelen 12.4 tot en met 12.27 en 12.34 tot en met 12.37 zijn van toepassing op de monitoring, bedoeld in artikel 20.2, tweede lid, van de wet, voor de alarmeringswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, bedoeld in artikel 15.2.

Artikel 12.4

In de agglomeratie Amsterdam/Haarlem, bedoeld in artikel 2.38, onder a, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  1. vier voor stikstofdioxide;

  2. vier voor PM10;

  3. twee voor PM2,5;

  4. drie voor ozon, waarvan:

    1. twee in voorstedelijk gebied; en

    2. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt; en

  5. één voor benzo(a)pyreen.

Artikel 12.5

In de agglomeratie Den Haag/Leiden, bedoeld in artikel 2.38, onder b, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  1. vier voor stikstofdioxide;

  2. vier voor PM10;

  3. één voor PM2,5; en

  4. drie voor ozon, waarvan:

    1. twee in voorstedelijk gebied; en

    2. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt.

Artikel 12.6

In de agglomeratie Eindhoven, bedoeld in artikel 2.38, onder c, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  1. twee voor stikstofdioxide;

  2. twee voor PM10;

  3. één voor PM2,5; en

  4. één voor ozon in voorstedelijk gebied, dat ook voor stikstofdioxide wordt gebruikt.

Artikel 12.7

In de agglomeratie Heerlen/Kerkrade, bedoeld in artikel 2.38, onder d, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  1. één voor zwaveldioxide;

  2. twee voor stikstofdioxide;

  3. twee voor PM10;

  4. twee voor PM2,5; en

  5. één voor ozon in voorstedelijk gebied, dat ook voor stikstofdioxide wordt gebruikt.

Artikel 12.8

In de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht, bedoeld in artikel 2.38, onder e, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  1. twee voor zwaveldioxide;

  2. vier voor stikstofdioxide;

  3. vier voor PM10;

  4. vier voor PM2,5;

  5. één voor lood;

  6. drie voor ozon, waarvan:

    1. twee in voorstedelijk gebied; en

    2. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt; en

  7. één voor benzo(a)pyreen.

Artikel 12.9

In de agglomeratie Utrecht, bedoeld in artikel 2.38, onder f, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  1. twee voor stikstofdioxide;

  2. twee voor PM10;

  3. twee voor PM2,5; en

  4. één voor ozon in voorstedelijk gebied, dat ook voor stikstofdioxide wordt gebruikt.

Artikel 12.10

In de zone midden, bedoeld in artikel 2.39, onder a, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  1. drie voor zwaveldioxide;

  2. acht voor stikstofdioxide;

  3. acht voor PM10;

  4. zeven voor PM2,5;

  5. één voor lood;

  6. drie voor koolmonoxide; en

  7. zeven voor ozon, waarvan:

    1. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en

    2. vier ook voor stikstofdioxide worden gebruikt.

Artikel 12.11

In de zone noord, bedoeld in artikel 2.39, onder b, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  1. één voor zwaveldioxide;

  2. twee voor stikstofdioxide, waarvan er één ook voor stikstofoxiden wordt gebruikt;

  3. zeven voor PM10;

  4. vier voor PM2,5;

  5. één voor lood; en

  6. zes voor ozon, waarvan:

    1. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en

    2. drie ook voor stikstofdioxide worden gebruikt.

Artikel 12.12

In de zone zuid, bedoeld in artikel 2.39, onder c, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen:

  1. één voor zwaveldioxide;

  2. drie voor stikstofdioxide;

  3. zes voor PM10;

  4. vier voor PM2,5,

  5. één voor lood; en

  6. zes voor ozon, waarvan:

    1. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en

    2. drie ook voor stikstofdioxide worden gebruikt.

Artikel 12.13

In Nederland ligt ten minste één monitoringspunt voor het meten van:

  1. de concentraties van arseen, cadmium en nikkel;

  2. de achtergrondconcentraties van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen, benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen; en

  3. de depositie van:

    1. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; en

    2. benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen.

Artikel 12.14

  1. Van de in de artikelen 12.4 tot en met 12.9 bedoelde monitoringspunten voor het meten van de concentratie van ozon, wordt ten minste één monitoringspunt in stedelijk of voorstedelijk gebied ook gebruikt voor het meten van de concentratie van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen.

  2. Van de in de artikelen 12.4 en 12.8 bedoelde monitoringspunten voor het meten van de concentratie van benzo(a)pyreen, wordt ten minste één monitoringspunt ook gebruikt voor het meten van de concentratie van andere relevante polycyclische aromatische koolwaterstoffen, waaronder in ieder geval benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen.

Artikel 12.15

Van de in de artikelen 12.10 tot en met 12.12 bedoelde monitoringspunten voor het meten van de concentratie van PM2,5, wordt ten minste één monitoringspunt ook gebruikt voor het meten van de concentraties van de chemische samenstellingen van PM2,5, waaronder in ieder geval sulfaat, nitraat, natrium, kalium, ammonium, chloride, calcium, magnesium, elementair koolstof en organisch koolstof.

Artikel 12.16

  1. De monitoringspunten voor het meten van de concentratie van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM2,5, PM10, lood, koolmonoxide, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen liggen:

    1. op locaties waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is;

    2. op een andere locatie dan bedoeld onder a die representatief is voor de blootstelling van de bevolking als geheel; en

    3. op een locatie waar het meten van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, waaraan in ieder geval wordt voldaan als een monitoringspunt representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht:

      1. van een straatsegment met een lengte van ten minste 100 m op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, voor stikstofdioxide, PM2,5 en PM10, lood en koolmonoxide;

      2. van een locatie van ten minste 200 m2 die sterk door het verkeer wordt beïnvloed, voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen;

      3. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en

      4. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied.

  2. De monitoringspunten voor het meten van de verhoging van de concentratie door een milieubelastende activiteit worden zo geplaatst dat ten minste één monitoringspunt benedenwinds van die activiteit in het meest dichtbijgelegen woongebied ligt.

  3. De monitoringspunten zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke locaties buiten de directe omgeving.

  4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op de monitoring van de omgevingswaarden voor zwaveldioxide, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  5. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de monitoring van:

    1. de achtergrondconcentraties van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en de andere in artikel 12.14, tweede lid, genoemde polycyclische aromatische koolwaterstoffen;

    2. de depositie van:

      1. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen;

      2. de andere in artikel 12.14, tweede lid, genoemde polycyclische aromatische koolwaterstoffen.

Artikel 12.17

  1. De monitoringspunten voor het meten van de concentratie van ozon liggen op locaties:

    1. binnen de zones en agglomeraties, bedoeld in de artikelen 2.38 en 2.39, waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking of de vegetatie kan worden blootgesteld gedurende een periode die ten opzichte van de middelingstijd significant is; en

    2. waarvan aannemelijk is dat ze niet direct worden beïnvloed door plaatselijke emissiebronnen.

  2. De monitoringspunten zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke locaties buiten hun directe omgeving

Artikel 12.18

De monitoringspunten voor het meten van achtergrondconcentraties:

  1. liggen op een locatie waar deze niet worden beïnvloed door agglomeraties als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 17, van de richtlijn luchtkwaliteit of industrieterreinen binnen een straal van 5 km; en

  2. zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke locaties buiten hun directe omgeving.

Artikel 12.19

  1. Bij de monitoringspunten, bedoeld in de artikelen 12.16 en 12.17, wordt bemonsterd door de lucht in een inlaatbuis te laten stromen:

    1. waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen;

    2. binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en

    3. zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat.

  2. De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is.

  3. De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat:

    1. de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en

    2. de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.

  4. Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon.

Artikel 12.20

  1. Als het gaat om het bemonsteren van de concentratie van stikstofdioxide, PM2,5 en PM10, lood, koolmonoxide en benzeen op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, ligt de inlaatbuis:

    1. ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten, waarbij de verkeersstroom wordt onderbroken en de uitstoot verschilt ten opzichte van het overige gedeelte van de weg; en

    2. niet meer dan 10 m van de wegrand.

  2. Als het gaat om het bemonsteren van concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, ligt de inlaatbuis:

    1. ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten, waarbij de verkeersstroom wordt onderbroken en de uitstoot verschilt ten opzichte van het overige gedeelte van de weg;

    2. ten minste 4 m van het midden van de dichtstbij gelegen rijbaan; en

    3. op een locatie die representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht in de nabijheid van de rooilijn.

Artikel 12.21

  1. Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van zwaveldioxide is NEN-EN 14212 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor zwaveldioxide is ten hoogste 15% voor:

    1. een uurgemiddelde waarde van 350 µg/m3; en

    2. een 24-uurgemiddelde waarde van 125 µg/m3.

  3. In afwijking van het tweede lid is op locaties als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving de meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor zwaveldioxide ten hoogste 15% voor een jaargemiddelde waarde van 20 µg/m3.

  4. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14212 van toepassing.

Artikel 12.22

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van zwaveldioxide worden uurgemiddelde en 24-uurgemiddelde concentraties bepaald.

  2. Er wordt een 24-uurgemiddelde bepaald als:

    1. per etmaal ten minste achttien uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn; of

    2. op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden.

  3. Het aantal gevalideerde uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

  4. Op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden of zullen worden overschreden.

  5. Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.21, tweede of derde lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.23

  1. Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van stikstofdioxide en stikstofoxiden is NEN-EN 14211 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor stikstofdioxide is ten hoogste 15% voor:

    1. een uurgemiddelde waarde van 200 µg/m3; en

    2. een jaargemiddelde waarde van 40 µg/m3.

  3. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor stikstofoxiden is kleiner dan, of gelijk aan 15% voor een jaargemiddelde waarde van 30 µg/m3.

  4. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14211 van toepassing.

Artikel 12.24

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van stikstofdioxide en stikstofoxiden worden uurgemiddelde concentraties bepaald.

  2. Het aantal gevalideerde uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

  3. Op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden.

  4. Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.23, tweede of derde lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.25

  1. Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van PM10 is NEN-EN 12341 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor PM10 is ten hoogste 25% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 50 µg/m3.

  3. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14907 van toepassing.

Artikel 12.26

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van PM10 worden 24-uurgemiddelde concentraties bepaald.

  2. Er wordt een 24-uurgemiddelde bepaald als:

    1. per etmaal ten minste achttien uur bemonsterd is; of

    2. op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden.

  3. Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

  4. Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zullen worden overschreden.

  5. 24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.25, tweede lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.27

  1. Als de gemeten 24-uurgemiddelde concentratie PM10 meer dan 35 maal per kalenderjaar de omgevingswaarde voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijdt, wordt het aantal overschrijdingen verminderd met het aantal overschrijdingen, bedoeld in bijlage XXIII, onder A, in de daarbij aangegeven provincie.

  2. Als de gemeten kalenderjaargemiddelde concentratie PM10 hoger is dan de omgevingswaarde voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt de gemeten concentratie verminderd met het aantal microgram per kubieke meter, bedoeld in bijlage XXIII, onder B, in de daarbij aangegeven gemeente.

Artikel 12.28

  1. Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van PM2,5 is NEN-EN 12341 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor PM2,5 is ten hoogste 25% voor een jaargemiddelde waarde van 25 µg/m3.

  3. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 12341 van toepassing.

Artikel 12.29

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van PM2,5 worden 24-uurgemiddelde concentraties bepaald.

  2. Er wordt een 24-uurgemiddelde concentratie bepaald als per etmaal ten minste achttien uur bemonsterd is.

  3. Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

  4. Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden of zullen worden overschreden.

  5. 24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.28, tweede lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.30

  1. Op het bemonsteren van de concentratie van lood is NEN-EN 12341 van toepassing.

  2. Op het meten van de concentratie van lood is NEN-EN 14902 van toepassing.

  3. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor lood is ten hoogste 50% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 0,5 µg/m3.

  4. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14902 van toepassing.

Artikel 12.31

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van lood worden gedurende ten minste 14% van de tijd in een kalenderjaar concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.

  2. Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar is ten minste 90%.

  3. Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.30, derde lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.32

  1. Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van koolmonoxide is NEN-EN 14626 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor koolmonoxide is ten hoogste 15% voor een acht-uurgemiddelde waarde van 10.000 µg/m3.

  3. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14626 van toepassing.

Artikel 12.33

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van koolmonoxide worden uurgemiddelde en acht-uurgemiddelde concentraties bepaald.

  2. Er wordt een acht-uurgemiddelde concentratie berekend als ten minste zes uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn.

  3. Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentraties groter is dan bepaald in artikel 12.32, tweede lid, worden niet gebruikt.

  4. Acht-uurgemiddelde concentraties worden voortschrijdend berekend uit acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties. Het eerste acht-uurgemiddelde op een dag is de periode van 17.00 uur op de voorgaande dag tot 01.00 uur. Het laatste acht-uurgemiddelde op een dag is de periode van 16.00 uur tot 24.00 uur.

  5. Het aantal gevalideerde uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

  6. Op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden.

Artikel 12.34

  1. Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van ozon is NEN-EN 14625 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor ozon is ten hoogste 15% voor een acht-uurgemiddelde waarde van 120 µg/m3.

  3. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14625 van toepassing.

Artikel 12.35

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van ozon worden uurgemiddelde concentraties bepaald.

  2. Er wordt een uurgemiddelde concentratie bepaald als ten minste vijfenveertig minuten meetsignalen beschikbaar zijn.

Artikel 12.36

  1. Uit acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties als bedoeld in artikel 12.35 worden acht-uurgemiddelde concentraties voortschrijdend berekend, waarbij het eerste acht-uurgemiddelde op een dag betrekking heeft op de periode van 17.00 uur op de voorgaande dag tot 1.00 uur, en het laatste acht-uurgemiddelde op een dag betrekking heeft op de periode van 16.00 uur tot 24.00 uur.

  2. Er wordt een acht-uurgemiddelde concentratie berekend als in een periode van acht uur ten minste zes uurgemiddelde concentraties van ozon beschikbaar zijn.

  3. Er wordt een hoogste acht-uurgemiddelde per dag bepaald als per dag ten minste achttien voortschrijdende acht-uurgemiddelden beschikbaar zijn.

  4. Het aantal overschrijdingen van de acht-uurgemiddelde concentratie en de hoogste acht-uurgemiddelde concentratie per jaar wordt bepaald als voor vijf van de zes maanden in de periode van 1 april tot en met 30 september ten minste 90% van de hoogste acht-uurgemiddelde concentraties op de dagen, of ten minste 90% van de uurgemiddelde concentraties tussen 08.00 uur en 20.00 uur beschikbaar zijn.

  5. Als het drie-jaargemiddelde van het aantal overschrijdingen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet kan worden bepaald op basis van een volledige en ononderbroken reeks jaargegevens, wordt gebruik gemaakt van de gegevens van ten minste één jaar.

Artikel 12.37

  1. Uit de uurgemiddelde concentraties, bedoeld in artikel 12.35, wordt voor de periode 1 mei tot en met 31 juli en de periode 1 april tot en met 30 september een AOT40-waarde berekend, zijnde het gesommeerde verschil tussen de uurgemiddelde concentraties boven de 80 µg/m3 en 80 µg/m3.

  2. Er worden AOT40-waarden berekend als ten minste 90% van de uurwaarden tussen 08.00 uur en 20.00 uur in de periode van 1 mei tot en met 31 juli en in de periode van 1 april tot en met 30 september beschikbaar zijn.

  3. Als ten minste 90% maar minder dan 100% van de uurwaarden tussen 08.00 uur en 20.00 uur in de periode van 1 mei tot en met 31 juli en in de periode van 1 april tot en met 30 september beschikbaar zijn, worden de AOT40-waarden bepaald door de gemeten AOT40-waarde te vermenigvuldigen met de uitkomst van het totale aantal mogelijke uren in die periodes gedeeld door het aantal gemeten uurgemiddelde concentraties.

  4. Als het vijf-jaargemiddelde van de AOT40-waarde, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet kan worden bepaald op basis van een volledige en ononderbroken reeks jaargegevens, wordt gebruik gemaakt van de gegevens van ten minste drie jaar.

Artikel 12.38

  1. Op het bemonsteren van de concentratie van arseen, cadmium en nikkel is NEN-EN 12341 van toepassing.

  2. Op het meten van de concentratie van arseen, cadmium en nikkel is NEN-EN 14902 van toepassing.

  3. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor arseen is ten hoogste 40% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 6 ng/m3.

  4. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor cadmium is ten hoogste 40% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 5 ng/m3.

  5. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor nikkel is ten hoogste 40% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 20 ng/m3.

  6. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 12341 van toepassing.

Artikel 12.39

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van arseen, cadmium en nikkel worden gedurende ten minste 50% van de tijd in een kalenderjaar, 24-uurgemiddelde concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over de weekdagen en het kalenderjaar gespreid plaats.

  2. Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

  3. Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onder a tot en met c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden of zullen worden overschreden.

  4. 24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.38, derde, vierde of vijfde lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.40

  1. Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van benzo(a)pyreen is NEN-EN 15549 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor benzo(a)pyreen is ten hoogste 50%.

  3. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15549 van toepassing.

Artikel 12.41

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van benzo(a)pyreen worden gedurende ten minste 33% van de tijd in een kalenderjaar, 24-uurgemiddelde concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over de weekdagen en het kalenderjaar gespreid plaats.

  2. Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%.

  3. Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden.

  4. 24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.40, tweede lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.42

  1. Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen is NEN-EN 15549 van toepassing.

  2. Op het analyseren van monsters van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen is NEN-EN 12341 van toepassing.

  3. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen is ten hoogste 50%.

  4. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15549 van toepassing.

Artikel 12.43

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen worden gedurende ten minste 14% van de tijd in een kalenderjaar concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.

  2. Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar is ten minste 90%.

  3. Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.42, derde lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.44

  1. Op het meten van de totale depositie van arseen, cadmium en nikkel is NEN-EN 15841 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor arseen, cadmium en nikkel is ten hoogste 70%.

  3. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15841 van toepassing.

Artikel 12.45

  1. Op het meten van de totale depositie van kwik is NEN-EN 15853 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor kwik is ten hoogste 70%.

  3. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15853 van toepassing.

Artikel 12.46

  1. Op het meten van de totale depositie van polycyclische aromatische koolwaterstoffen is NEN-EN 15980 van toepassing.

  2. De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen is ten hoogste 70%.

  3. Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15980 van toepassing.

Artikel 12.47

  1. Per monitoringspunt voor het meten van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen worden gedurende ten minste 33% van de tijd in een kalenderjaar deposities bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.

  2. Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar is ten minste 90%.

  3. Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke depositie groter is dan bepaald in de artikelen 12.44, tweede lid, 12.45, tweede lid, of 12.46, tweede lid, worden niet gebruikt.

Artikel 12.48

  1. Er kan een andere meetmethode voor het bemonsteren en het meten van de concentratie van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, lood, koolmonoxide, ozon, arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen worden toegepast dan voorgeschreven in deze paragraaf, als de resultaten daarvan gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de in deze paragraaf voorgeschreven methoden.

  2. Er kan een andere meetmethode voor het bemonsteren en het meten van de concentratie van PM10 en PM2,5 worden toegepast dan voorgeschreven in deze paragraaf als:

    1. de resultaten daarvan gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de in artikel 12.25 of 12.28 voorgeschreven methoden; of

    2. die andere meetmethode een constante samenhang heeft met de in artikel 12.25 of 12.28 voorgeschreven methoden. Op de met deze methode verkregen resultaten wordt een correctiefactor toegepast, om resultaten te verkrijgen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de in artikel 12.25 of 12.28 voorgeschreven methode.

  3. Er kan een andere meetmethode voor het meten van de totale depositie van arseen, cadmium, nikkel, kwik en polycyclische aromatische koolwaterstoffen worden toegepast dan voorgeschreven in deze paragraaf, als de resultaten daarvan gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de in deze paragraaf voorgeschreven methoden.

Artikel 12.49

Deze paragraaf is van toepassing op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM10 door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bedoeld in de artikelen 11.19 en 11.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 12.50

Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM10 bij wegen is van toepassing:

  1. standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 als:

    1. de weg in een stedelijke omgeving ligt waarbij:

      1. i

        er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing maar groter is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing;

      2. ii

        er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de weg, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing;

      3. iii

        er aan één zijde min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing; of

      4. iv

        er min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, anders dan bedoeld onder i tot en met iii;

    2. er niet of nauwelijks een hoogteverschil is tussen de weg en de directe omgeving; en

    3. er langs de weg geen afschermende constructies zijn;

  2. standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2 als:

    1. er in de directe omgeving geen bebouwing is; of

    2. er in de directe omgeving bebouwing is, op een afstand van ten minste 3 maal de hoogte van de bebouwing; of

  3. een softwaremodel als bedoeld in bijlage XIXa, waarbij is aangegeven dat het kan worden toegepast voor:

    1. wegen die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 of standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2; of

    2. wegen die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 en standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2.

Artikel 12.51

Een monitoringspunt voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM10 bij wegen ligt:

  1. op een locatie die representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht van een straatsegment met een lengte van ten minste 100 m;

  2. ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten, waarbij de verkeersstroom onderbroken wordt en de uitstoot verschilt ten opzichte van het overige gedeelte van de weg;

  3. ten hoogste 10 m van de wegrand; en

  4. op een locatie waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld voor een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is.

Artikel 12.52

  1. Voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM10 bij wegen wordt gebruik gemaakt van:

    1. grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid als bedoeld in bijlage XX;

    2. de emissiefactoren van voertuigen, bedoeld in bijlage XXI; en

    3. gegevens die standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 of standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2 vereist over:

      1. de kenmerken van de weg;

      2. het aantal en type motorvoertuigen dat gebruik maakt van de weg;

      3. de gemiddelde snelheid en wisselingen in de snelheid van het verkeer over de weg; en

      4. de directe omgeving van de weg.

  2. Op het geschikt maken voor het gebruik van de gegevens voor standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2 is PreSRM van toepassing.

Artikel 12.53

Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM10 bij het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of bij het houden van landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder b, van dat besluit, is van toepassing:

  1. standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3, in een geval dat valt binnen het toepassingsbereik van die rekenmethode; of

  2. een softwaremodel als bedoeld in bijlage XIXa, waarbij is aangegeven dat het kan worden toegepast voor:

    1. milieubelastende activiteiten die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3; of

    2. milieubelastende activiteiten die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3.

Artikel 12.54

  1. Een monitoringspunt voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM10 bij het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of bij het houden van landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder b, van dat besluit, ligt:

    1. buiten de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    2. op een locatie waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld voor een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is of op een andere locatie die representatief is voor de blootstelling van de bevolking als geheel; en

    3. op een locatie waar het meten van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, waaraan in ieder geval wordt voldaan als een monitoringspunt representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht:

      1. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en

      2. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied.

  2. Ten minste één monitoringspunt ligt benedenwinds van de activiteit in het meest dichtbij gelegen woongebied.

Artikel 12.55

  1. Voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM10 wordt gebruik gemaakt van:

    1. grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid, bedoeld in bijlage XX;

    2. gegevens die standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3 vereist over:

      1. de fysieke kenmerken van de bron;

      2. de kenmerken van de emissie; en

      3. de kenmerken van de directe omgeving van de milieubelastende activiteit.

  2. Op het geschikt maken voor het gebruik van de gegevens is PreSRM van toepassing.

Artikel 12.56

  1. Als de berekende 24-uurgemiddelde concentratie PM10 meer dan 35 maal per kalenderjaar de omgevingswaarde voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijdt, wordt het aantal overschrijdingen verminderd met het aantal overschrijdingen, bedoeld in bijlage XXIII, onder A, in de daarbij aangegeven provincie.

  2. Als de berekende kalenderjaargemiddelde concentratie PM10 hoger is dan de omgevingswaarde voor PM10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt de berekende concentratie verminderd met het aantal microgram per kubieke meter, bedoeld in bijlage XXIII, onder B, in de daarbij aangegeven gemeente.

Artikel 12.57

De berekende concentratie of het berekende aantal overschrijdingen wordt afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbij gelegen even getal.

Artikel 12.58

  1. De resultaten van het vaststellen van de concentratie van stikstofdioxide en PM10 worden vastgelegd in het verslag, bedoeld in artikel 10.29, derde lid, van het Omgevingsbesluit.

  2. Het verslag bevat:

    1. een vermelding van alle gegevens die zijn gebruikt, een toelichting en onderbouwing over de totstandkoming en de kwaliteit van die gegevens en van de wijze van invoer daarvan;

    2. een vermelding van de waarden van de concentraties op de monitoringspunten;

    3. een verantwoording van de toegepaste rekenmethode voor het berekenen van de concentratie bij wegen en een motivering dat die situatie valt binnen het toepassingsbereik van die rekenmethode, bedoeld in artikel 12.50;

    4. een verantwoording van de toegepaste rekenmethode voor het berekenen van de concentratie bij het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of bij het houden van landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder b, van dat besluit, en een motivering dat die situatie valt binnen het toepassingsbereik van die rekenmethode, bedoeld in artikel 12.53.

  3. Als gebruik is gemaakt van een monitoringspunt op meer dan 10 m van de wegrand of meer dan 25 m van de rand van grote kruispunten als bedoeld in artikel 12.51, bevat het verslag een motivering daarvan en een toelichting op de gebruikte afstand.

Artikel 12.58a

Als bij omgevingsplan of omgevingsverordening een afwijkende omgevingswaarde wordt vastgesteld die strenger is dan een omgevingswaarde voor de kwaliteit van de buitenlucht als bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn op de monitoring daarvan de regels in de paragrafen 12.2.1.2 en 12.2.1.3 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12.59

Deze paragraaf is van toepassing op de monitoring, bedoeld in artikel 11.43 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de omgevingswaarde voor zwemlocaties, bedoeld in artikel 2.19 van dat besluit.

Artikel 12.60

De monitoringspunten liggen op locaties waar:

  1. de meeste zwemmers worden verwacht; of

  2. volgens het zwemwaterprofiel, bedoeld in artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het grootste risico van verontreiniging wordt verwacht.

Artikel 12.61

  1. De monitoring wordt eenmaal kort voor het begin van het badseizoen uitgevoerd en vindt vervolgens gedurende het badseizoen ten minste eenmaal per maand plaats.

  2. De frequentie van de monitoring is zo hoog als nodig is om het aantal monsters, bedoeld in artikel 12.67, te verzamelen.

Artikel 12.62

  1. Voor het begin van elk badseizoen stelt de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam een tijdschema voor monitoring vast.

  2. De monitoring wordt telkens binnen vier dagen na de in het tijdschema aangegeven datum uitgevoerd.

  3. De uitvoering van het tijdschema voor monitoring kan worden onderbroken wanneer de zwemwaterkwaliteit wordt beïnvloed door een situatie die zich naar verwachting gemiddeld niet meer dan eens in de vier jaar zal voordoen. De uitvoering van het tijdschema wordt hervat na afloop van de situatie.

  4. Ter compensatie van de periode waarin geen monsters zijn genomen, worden zo spoedig mogelijk nieuwe monsters genomen.

Artikel 12.63

Op het meten van de percentielwaarden bacteriën op zwemlocaties is van toepassing:

  1. voor intestinale enterokokken: NEN-EN-ISO 7899-1 of NEN-EN-ISO 7899-2;

  2. voor escherichia coli: NEN-EN-ISO 9308-3.

Artikel 12.64

Het steriliseren van monsterflessen, het nemen van monsters en het bewaren en vervoeren van monsters voor analyse vindt plaats in overeenstemming met bijlage V bij de zwemwaterrichtlijn.

Artikel 12.65

In afwijking van de artikelen 12.63 en 12.64 kan een andere methode of een andere werkwijze worden toegepast, als het resultaat daarvan gelijkwaardig is aan het resultaat van de in de bijlagen I en V bij de zwemwaterrichtlijn voorgeschreven methoden en werkwijzen.

Artikel 12.66

  1. Na afloop van elk badseizoen wordt in overeenstemming met bijlage II bij de zwemwaterrichtlijn een zwemwaterkwaliteitsbeoordeling uitgevoerd.

  2. De zwemwaterkwaliteitsbeoordeling wordt gebaseerd op de gegevens die bij de monitoring van de omgevingswaarde voor zwemlocaties zijn verzameld gedurende een periode bestaande uit:

    1. het zojuist ten einde gelopen badseizoen en de drie voorgaande badseizoenen; of

    2. alleen de drie voorgaande badseizoenen, als:

      1. de zwemlocatie minder dan vier badseizoenen geleden is aangewezen; of

      2. wijzigingen zijn opgetreden die de indeling van de zwemlocatie op grond van artikel 12.70zullen of redelijkerwijs zullen beïnvloeden.

  3. De periode, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal in de vijf jaar worden gewijzigd in een periode bestaande uit de drie of vier voorgaande badseizoenen.

  4. Als er wijzigingen zijn opgetreden die de indeling van de zwemlocatie zullen of redelijkerwijs zullen beïnvloeden, dan wordt de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling gebaseerd op gegevens die zijn verzameld nadat de wijzigingen zijn opgetreden.

Artikel 12.67

De zwemwaterkwaliteitsbeoordeling vindt plaats aan de hand van:

  1. ten minste 16 monsters; of

  2. ten minste 12 monsters, als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in bijlage IV, punt 2, bij de zwemwaterrichtlijn.

Artikel 12.68

Bij de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 12.66, kunnen tijdens een kortstondige zwemwaterverontreiniging genomen monsters buiten beschouwing worden gelaten. Deze monsters worden vervangen door in overeenstemming met bijlage IV, punt 4, bij de zwemwaterrichtlijn genomen monsters.

Artikel 12.69

  1. De beheerder van het oppervlaktewaterlichaam kan voor de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 12.66, de zwemlocaties onderverdelen of groeperen.

  2. Zwemlocaties kunnen alleen worden gegroepeerd als zij:

    1. aangrenzend zijn;

    2. tijdens de vier voorgaande jaren op dezelfde wijze zijn beoordeeld op grond van artikel 12.66; en

    3. een zwemwaterprofiel als bedoeld in artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving vertonen met gemeenschappelijke risicofactoren of zonder risicofactoren.

Artikel 12.70

  1. Om te bepalen of wordt voldaan aan de omgevingswaarde voor zwemlocaties, deelt de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam na afloop van het badseizoen de zwemlocatie in een van de volgende klassen in:

    1. slecht;

    2. aanvaardbaar;

    3. goed;

    4. uitstekend.

  2. Indeling vindt plaats in overeenstemming met de uitkomst van de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling en de eisen gesteld in bijlage II bij de zwemwaterrichtlijn.

Artikel 12.71

Als bij omgevingsverordening een afwijkende omgevingswaarde wordt vastgesteld die strenger is dan de omgevingswaarde voor de kwaliteit van een zwemlocatie, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn voor de monitoring daarvan de regels in paragraaf 12.2.2.1 van toepassing.

Artikel 12.71a

Deze paragraaf is van toepassing op:

  1. het berekenen van het geluid op geluidreferentiepunten voor de monitoring van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  2. het bepalen van de geluidemissie in Lden en het verschil tussen de geluidemissie in Lden en de basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 11.47 van dat besluit;

  3. het berekenen van de geluidbelasting Lden en de geluidbelasting Lnight bij het vaststellen van geluidbelastingkaarten, bedoeld in artikel 11.53 van dat besluit.

Artikel 12.71b

Op het berekenen van de geluidbelasting Lden en de geluidbelasting Lnight is van toepassing:

  1. voor geluidbelasting afkomstig van wegen en spoorwegen: de meet- en rekenmethoden opgenomen in bijlage XXXIII;

  2. voor geluidbelasting afkomstig van activiteiten of een samenstel van activiteiten: de meet- en rekenmethoden opgenomen in bijlage XXXIII; en

  3. voor geluidbelasting afkomstig van luchthavens: de hoofdstukken 2.6 tot en met 4 van de bijlage Bepalingsmethoden voor de geluidsbelastingsindicatoren bij Richtlijn 2015/996/EU van de Commissie van 19 mei 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingsmethoden voor lawaai overeenkomstig Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2012 inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai (PbEU 2015, L 168).

Artikel 12.71c

  1. Op het berekenen van het geluid op geluidreferentiepunten, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn de artikelen 3.14, eerste lid, aanhef en onder b en d, vierde en vijfde lid en 3.21, eerste lid, aanhef en onder b, van toepassing.

  2. Het geluid wordt bepaald over een kalenderjaar.

Artikel 12.71d

  1. De geluidemissie in Lden, bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen, voor zover deze niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen, in een kalenderjaar wordt berekend volgens bijlage IVd en afgerond op één decimaal.

  2. Bij het schatten van het verschil tussen de geluidemissie in Lden en de basisgeluidemissie wordt de geluidemissie in Lden geacht niet hoger te zijn dan de basisgeluidemissie vermeerderd met 1,5 dB, als wordt onderbouwd dat het verkeer in het kalenderjaar per categorie motorvoertuigen als bedoeld in bijlage IVe met minder dan 40% is toegenomen ten opzichte van de basisgeluidemissie bij omstandigheden die voor de geluidemissie gelijkwaardig of beter zijn. Bij die onderbouwing worden in ieder geval de wegverharding, samenstelling van het verkeer en maximumsnelheid meegenomen.

  3. Als geen ruimtelijke ontwikkelingen, veranderingen aan de infrastructuur of veranderingen in verkeersstromen hebben plaatsgevonden, kan in afwijking van het tweede lid, in plaats van een onderbouwing een kwalitatieve beschrijving worden gegeven.

Artikel 12.71e

Gegevens voor het geluidregister worden aangeleverd met het Informatiemodel Geluid.

Artikel 12.71f

In het geluidregister is de ligging van het geluidreferentiepunt, bedoeld in artikel 11.51, derde lid, onder a, onder 3°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving uitgedrukt in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting.

Artikel 12.72

  1. Een geluidbelastingkaart bestaat in ieder geval uit tabellen en uit een of meer geografische kaarten en bevat een overzicht van de belangrijkste punten van die kaart.

  2. De tabellen worden ingedeeld in de volgende geluidbelastingklassen:

    1. voor geluidbelasting Lden: 55–59, 60–64, 65–69, 70–74, en groter dan of gelijk aan 75 dB; en

    2. voor geluidbelasting Lnight: 50–54, 55–59, 60–64, 65–69, en groter dan of gelijk aan 70 dB.

  3. Een geografische kaart bevat een legenda waarin wordt verklaard hoe de informatie op die kaart is weergegeven.

  4. Geografische kaarten voor de luchthavens, bedoeld in artikel 11.50, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden weergegeven op een schaal van 1:50.000.

Artikel 12.72a

  1. Het elektronisch beschikbaar stellen van een geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 10.50, derde lid, van het Omgevingsbesluit, geschiedt in overeenstemming met het verplicht digitaal informatieuitwisselingsmechanisme dat door de Europese Commissie op 11 november 2021 is vastgesteld op grond van artikel 10, tweede lid, van de richtlijn omgevingslawaai, in samenhang met de bijlagen IV, onder 9, en VI, onder 3, bij die richtlijn.

  2. De geluidbelastingkaarten worden beschikbaar gesteld met gebruikmaking van:

    1. een elektronische voorziening die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar wordt gesteld op www.geluidgegevens.nl; en

    2. het datamodel dat door het European Environmental Agency beschikbaar wordt gesteld op www.iplo.nl.

Artikel 12.72b

  1. Het aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekken van een actieplan geluid, bedoeld in artikel 10.9 van de Omgevingsbesluit, geschiedt in overeenstemming met het verplicht digitaal informatieuitwisselingsmechanisme, dat door de Europese Commissie op 11 november 2021 is vastgesteld op grond van artikel 10, tweede lid, van de richtlijn omgevingslawaai, in combinatie met Bijlage IV, onderdeel 9 en Bijlage VI, onderdeel 3, van die richtlijn.

  2. De actieplannen geluid worden beschikbaar gesteld met gebruikmaking van:

    1. een elektronische voorziening die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar wordt gesteld op www.geluidgegevens.nl; en

    2. het datamodel dat door het European Environmental Agency beschikbaar wordt gesteld op www.iplo.nl.

Artikel 12.73

Deze paragraaf is van toepassing op geluidbelastingkaarten als bedoeld in artikel 11.53, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor een agglomeratie als bedoeld in artikel 2.40.

Artikel 12.74

  1. In de tabellen van een geluidbelastingkaart voor een agglomeratie worden per geluidbelastingklasse weergegeven:

    1. het aantal geluidgevoelige gebouwen dat is blootgesteld aan:

      1. een geluidbelasting Lden die groter is dan, of gelijk is aan 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en

      2. een geluidbelasting Lnight die groter is dan, of gelijk is aan 50, 55, 60, 65 en 70 dB;

    2. het aantal bewoners van de geluidgevoelige gebouwen, bedoeld onder a, die woningen zijn; en

    3. voor zover beschikbaar, het aantal woningen dat op grond van de wet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Woningwet of de Wet luchtvaart is voorzien van extra geluidwering.

  2. Het aantal bewoners, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bepaald overeenkomstig de gemiddelde huishoudengrootte volgens de meest recente publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

  3. De aantallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, worden afgerond op honderdtallen.

Artikel 12.75

Op geografische kaarten van de geluidbelastingkaarten voor een agglomeratie worden verbeeld:

  1. de grenzen van de gemeente; en

  2. de grenzen van de stille gebieden, bedoeld in de artikelen 4.23, tweede lid, en 4.24, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen de gemeente.

Artikel 12.76

Wegen en spoorwegen als bedoeld in artikel 11.50, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van:

  1. de ligging van de wegen en spoorwegen;

  2. de geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight door de betrokken categorie van geluidbronnen, door:

    1. contouren, die liggen binnen de gemeente, die overeenkomen met een geluidbelasting Lden van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en

    2. contouren, die liggen binnen de gemeente, die overeenkomen met een geluidbelasting Lnight van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; en

  3. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen de contouren, bedoeld onder b.

Artikel 12.77

  1. Luchthavens als bedoeld in artikel 11.50, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van:

    1. de ligging van de luchthaven;

    2. een beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart;

    3. de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de luchthaven, door:

      1. contouren, die liggen buiten de luchthaven, die overeenkomen met een geluidbelasting Lden van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en

      2. contouren, die liggen buiten de luchthaven, die overeenkomen met een geluidbelasting Lnight van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; en

    4. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen de contouren, bedoeld onder c.

  2. De luchthaven Schiphol wordt op geografische kaarten verbeeld door verbeelding van:

    1. de ligging van de luchthaven;

    2. de waarde of waarden van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting;

    3. de punten buiten de luchthaven waar de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de luchthaven is bepaald; en

    4. de geluidgevoelige gebouwen die de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de luchthaven ondervinden.

Artikel 12.78

Activiteiten op industrieterreinen als bedoeld in artikel 11.50, eerste lid, onder c, onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van:

  1. de grenzen van het industrieterrein;

  2. het geluidaandachtsgebied rond een industrieterrein vastgesteld op grond van artikel 3.31 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  3. de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de gezamenlijke activiteiten op het industrieterrein, door:

    1. contouren, die liggen buiten het industrieterrein, die overeenkomen met een geluidbelasting Lden van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en

    2. contouren, die liggen buiten het industrieterrein, die overeenkomen met een geluidbelasting Lnight van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; en

  4. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen de contouren, bedoeld onder c.

Artikel 12.79

Activiteiten in gebieden waarvoor in het omgevingsplan een hogere waarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van geluid is vastgesteld als bedoeld in artikel 11.50, eerste lid, onder c, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van:

  1. de grenzen van het gebied waarvoor een hogere waarde is vastgesteld;

  2. de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight door de activiteiten op omliggende geluidgevoelige gebouwen; en

  3. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen het gebied, bedoeld onder a.

Artikel 12.80

Activiteiten buiten een gebied als bedoeld in artikel 12.79 en die meer geluid op geluidgevoelige gebouwen mogen veroorzaken dan 55 dB Lden of 50 dB Lnight worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van:

  1. de locatie waar de activiteit wordt verricht;

  2. de waarde van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting;

  3. de punten buiten de begrenzing van de locatie waar de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de activiteit is bepaald; en

  4. de geluidgevoelige gebouwen die de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de activiteit ondervinden.

Artikel 12.81

Deze paragraaf is van toepassing op geluidbelastingkaarten voor wegen, spoorwegen en luchthavens als bedoeld in artikel 11.53, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 12.82

  1. In de tabellen van een geluidbelastingkaart worden per geluidbelastingklasse en, als het wegen of spoorwegen als bedoeld in artikel 11.50, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving betreft, per gemeente, weergegeven:

    1. het aantal geluidgevoelige gebouwen buiten agglomeraties als bedoeld in artikel 2.40 dat is blootgesteld aan:

      1. een geluidbelasting Lden die groter is dan, of gelijk is aan 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en

      2. een geluidbelasting Lnight die groter is dan, of gelijk is aan 50, 55, 60, 65 en 70 dB;

    2. het aantal bewoners van de geluidgevoelige gebouwen, bedoeld onder a, die woningen zijn;

    3. voor zover beschikbaar, een opgave van het aantal woningen dat op grond van de wet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Woningwet of de Wet luchtvaart is voorzien van extra geluidwering; en

    4. een opgave van de totale oppervlakte in km2 die is blootgesteld aan een geluidbelasting Lden die hoger is dan 55, 65 en 75 dB.

  2. Het aantal bewoners, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bepaald overeenkomstig de gemiddelde huishoudengrootte volgens de meest recente publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

  3. De aantallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, worden afgerond op honderdtallen.

  4. Als een geluidbelastingkaart wordt vastgesteld voor twee of meer wegen of voor twee of meer spoorwegen als bedoeld in artikel 11.50, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kunnen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aangegeven voor de gezamenlijke wegen of spoorwegen.

Artikel 12.83

Wegen, spoorwegen en luchthavens als bedoeld in artikel 11.50, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van:

  1. de ligging van de betrokken weg, spoorweg of luchthaven met het banenstelsel;

  2. de geluidbelasting door de betrokken weg, spoorweg of luchthaven, aangegeven door:

    1. contouren die overeenkomen met een geluidbelasting Lden van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en

    2. contouren die overeenkomen met een geluidbelasting Lnight van 50, 55, 60, 65 en 70 dB;

  3. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen de contouren, bedoeld onder b;

  4. de gemeentegrenzen binnen de contouren, bedoeld onder b;

  5. de grenzen van agglomeraties binnen de contouren, bedoeld onder b; en

  6. de grenzen van de stille gebieden, bedoeld in de artikelen 4.23, tweede lid, en 4.24, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover deze liggen:

    1. nabij de betrokken luchthaven; of

    2. binnen een afstand van 2,5 km tot de betrokken weg of spoorweg, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook respectievelijk de buitenste spoorstaaf.

← terug naar Omgevingsregeling