Deze afdeling is van toepassing op het bepalen van de gelijke hoedanigheid en de gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden van onroerende zaken binnen een herverkavelingsblok, bedoeld in artikel 12.26, tweede lid, van de wet, in het kader van de voorbereiding van het ruilbesluit.
Omgevingsregeling Actueel
Inhoud
Afdeling 3.4
Artikel 3.37
-
De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald volgens de artikelen 3.38 tot en met 3.40.
-
De gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden van onroerende zaken worden bepaald volgens de artikelen 3.41 en 3.42.
Artikel 3.38
-
De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt uiterlijk op het in artikel 16.125, tweede lid, van de wet laatstbedoelde tijdstip bepaald.
-
De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald voor zover deze uitruilbaar zijn op grond van de artikelen 10.4 tot en met 10.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 3.39
-
De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken:
de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de lagen in de bodem tot ten minste een diepte van 1 m onder het maaiveld; en
de grondwaterkarakteristiek.
-
De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald aan de hand van de Bodemkaart van Nederland en de Kaart Grondwaterdynamiek met een schaal van 1:50.000. Als de landinrichting plaatsvindt in een gebied met een grote diversiteit in de bodemkenmerken of de grondwaterkarakteristiek, worden deelkaarten van de Bodemkaart van Nederland en de Kaart Grondwaterdynamiek met een grotere schaal dan 1:50.000 gebruikt.
-
Als deelkaarten niet beschikbaar zijn, wordt de gelijke hoedanigheid van onroerende zaken bepaald op basis van een advies van deskundigen.
Artikel 3.40
Bij het bepalen van de gelijke hoedanigheid van onroerende zaken blijven de volgende kenmerken buiten beschouwing:
het feitelijke gebruik;
de verkavelingssituatie;
de ontsluitingssituatie;
de beheersing van het oppervlaktewaterpeil;
de mate van egaliteit van het maaiveld;
de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten of kabels en leidingen;
de aanwezigheid van beregeningsinstallaties of drainage;
overige fysieke kenmerken die het feitelijke gebruik beïnvloeden; en
andere dan agrarische kenmerken.
Artikel 3.41
-
Van onroerende zaken met een gelijke hoedanigheid worden de gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden bepaald aan de hand van de bodemgeschiktheid.
-
De bodemgeschiktheid wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken:
de ontwateringstoestand;
de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewassen;
de stevigheid van de bovengrond;
de verkruimelbaarheid van de bodem;
de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;
de stuifgevoeligheid van de bodem; en
de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevindt.
-
Voor elke gebruiksmogelijkheid wordt bepaald welke kenmerken doorslaggevend zijn.
Artikel 3.42
-
Binnen een gebruiksmogelijkheid wordt de bodemgeschiktheid ingedeeld in ten minste vijf klassen.
-
De klassenindeling wordt op een kaart vermeld.