Bijlage VIa — bij artikel 4.12g van deze regeling (vroege teelten)

  1. Aardappelen

  2. Aardbeien, vermeerdering

  3. Andijvie

  4. Anijs

  5. Asperge

  6. Blauwmaanzaad

  7. Bloemkool, productie-

  8. Boerenkool

  9. Bonen, tuin-

  10. Bonen, veld-

  11. Boomkwekerijgewassen

  12. Bol- en knolgewassen in de sierteelt, met uitzondering van tulp

  13. Bospeen

  14. Bosui, zomer-

  15. Broccoli

  16. Chinese kool, productie-

  17. Dille

  18. Echinacea

  19. Erwten

  20. Fruitteelt

  21. Granen, winter-

  22. Granen, zomer-

  23. Gras-klaver

  24. Grasland, blijvend

  25. Grasland, tijdelijk

  26. Grasland, natuurlijk

  27. Graszaad

  28. Graszoden

  29. Haver

  30. Kapucijners (en grauwe erwten)

  31. Kervel

  32. Knoflook

  33. Komijn

  34. Koolrabi

  35. Koolzaad, winter-

  36. Koolzaad, zomer-

  37. Linzen

  38. Lupine

  39. Luzerne

  40. Maïs, geteeld overeenkomstig de biologische productiemethode

  41. Meerjarige bloemisterijgewassen

  42. Paksoi

  43. Peterselie

  44. Peulen

  45. Plantuien

  46. Prei, zaai- en productie-

  47. Pronkbonen

  48. Raapstelen

  49. Rabarber

  50. Radijs

  51. Rode kool, productie-

  52. Rode bieten/ kroten

  53. Savooiekool, productie-

  54. Schorseneren

  55. Selderij, productie-

  56. Sjalotten

  57. Sla, productie-

  58. Snij- en trekheesters

  59. Snijrogge

  60. Spinazie, productie-

  61. Spitskool, productie-

  62. Suikerbieten

  63. Suikermaïs onder folie

  64. Valeriaan

  65. Vaste planten

  66. Venkel

  67. Vlas, vezel- en olie-

  68. Voederbieten

  69. Waspeen, productie-

  70. Witte kool, productie-

  71. Zaaiuien