Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 15

Bevoegdheden in bijzondere omstandigheden

Artikel 15.1

Deze afdeling is van toepassing op het vaststellen van de alarmeringswaarden, bedoeld in artikel 19.10, eerste lid, van de wet, en op het geven van informatie of waarschuwingen bij overschrijding of dreigende overschrijding van een alarmeringswaarde als bedoeld in artikel 19.11 van de wet.

Artikel 15.2

  1. Voor zwaveldioxide geldt een alarmeringswaarde van 500 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren.

  2. Voor stikstofdioxide geldt een alarmeringswaarde van 400 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren.

  3. Voor ozon gelden de volgende alarmeringswaarden:

    1. 180 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie; en

    2. 240 μg/m3 als uurgemiddelde concentratie.

  4. Voor PM10 gelden de volgende alarmeringswaarden:

    1. 70 μg/m3 als daggemiddelde concentratie; en

    2. 100 μg/m3 als daggemiddelde concentratie.

  5. De alarmeringswaarden, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, gelden in gebieden van ten minste 100 km2 of in een volledige agglomeratie of zone als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39.

Artikel 15.3

De alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden die een gevaar voor primaire waterkeringen kunnen opleveren, bedoeld in artikel 19.10, eerste lid, onder b, van de wet, zijn vastgesteld in bijlage XXXV.

Artikel 15.4

  1. Van geringe smog is sprake wanneer:

    1. de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide lager is dan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder a, respectievelijk artikel 2.4, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    2. de concentratie van ozon lager is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder a; of

    3. de daggemiddelde concentratie van PM10 lager is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder a.

  2. Van matige smog is sprake wanneer:

    1. de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide hoger is dan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder a, respectievelijk artikel 2.4, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, maar lager is dan de alarmeringswaarden, bedoeld in artikel 15.2, eerste lid, respectievelijk tweede lid;

    2. de concentratie van ozon hoger is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder a, maar lager is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder b; of

    3. de daggemiddelde concentratie van PM10 zich bevindt tussen de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder a, en de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder b.

  3. Van ernstige smog is sprake wanneer:

    1. de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide hoger is dan de alarmeringswaarden, bedoeld in artikel 15.2, eerste lid, respectievelijk tweede lid;

    2. de concentratie van ozon hoger is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder b; of

    3. de daggemiddelde concentratie van PM10 hoger is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder b.

Artikel 15.5

Het vaststellen of sprake is van geringe, matige of ernstige smog vindt plaats door het RIVM overeenkomstig artikel 12.3, tweede lid.

Artikel 15.6

  1. Het RIVM stelt basisinformatie over zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 beschikbaar op www.luchtmeetnet.nl en zo mogelijk via andere landelijke media.

  2. Basisinformatie als bedoeld in het eerste lid omvat ten minste:

    1. een beschrijving van het ontstaan van concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 in de buitenlucht;

    2. een weergave van de actuele concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 per agglomeratie en zone als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39 en een toelichting daarop; en

    3. een aanduiding van de actuele concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 als geringe, matige of ernstige smog.

Artikel 15.7

Als naar redelijke verwachting van het RIVM het risico bestaat op matige of ernstige smog en in perioden van matige of ernstige smog, analyseert het RIVM ieder uur de ontwikkeling van de kwaliteit van de buitenlucht op basis van de vaststelling van de concentraties, bedoeld in artikel 12.3, tweede lid.

Artikel 15.8

  1. Bij matige of ernstige smog stelt het RIVM, in aanvulling op de in artikel 15.6 genoemde basisinformatie, beschikbaar:

    1. een beschrijving van het ontstaan van smog en van de verontreinigende stoffen in de buitenlucht die matige of ernstige smog veroorzaken;

    2. een prognose van de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 voor de eerstvolgende middag, dag of dagen;

    3. een beschrijving van de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor matige of ernstige smog risico’s kan inhouden voor de gezondheid, van te verwachten symptomen en van door die bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen te treffen voorzorgsmaatregelen; en

    4. een verwijzing naar het Longfonds, de GGD en het RIVM als bronnen van nadere informatie over smog.

  2. De in het eerste lid bedoelde informatie wordt beschikbaar gesteld op www.luchtmeetnet.nl en zo mogelijk via andere landelijke media.

Artikel 15.9

Als matige smog is vastgesteld in een of meer agglomeraties of zones als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39 en de matige smog is veroorzaakt door verhoogde concentraties van zwaveldioxide of stikstofdioxide als bedoeld in artikel 15.4, tweede lid, onder a, stelt het RIVM gedeputeerde staten van de betreffende provincies, het ANP, de GGD en het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in kennis van de actuele concentraties van zwaveldioxide en stikstofdioxide.

Artikel 15.10

  1. Als ernstige smog is vastgesteld in een of meer agglomeraties of zones als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39, stelt het RIVM gedeputeerde staten van de betreffende provincies, het ANP, de GGD en het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, onmiddellijk in kennis van:

    1. de actuele concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10;

    2. de alarmeringswaarde die wordt overschreden;

    3. de hoogste uurgemiddelde concentratie en voor ozon de hoogste acht-uurgemiddelde concentratie;

    4. de datum, het tijdstip van aanvang, de duur, de plaats en, voor zover bekend, de oorzaak van de overschrijding van de betreffende alarmeringswaarde;

    5. een gemotiveerde prognose van de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM10 voor de eerstvolgende middag, dag of dagen in het betreffende geografische gebied en de verwachte duur van de ernstige smog;

    6. een beschrijving van de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor ernstige smog risico’s kan inhouden voor de gezondheid, van te verwachten symptomen en van door die bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen te treffen voorzorgsmaatregelen; en

    7. informatie over de stoffen waarvan de concentratie tijdelijk is verhoogd.

  2. Op de dagen die volgen op een dag dat ernstige smog is vastgesteld, stelt het RIVM de instanties, genoemd in het eerste lid, ten minste eenmaal per dag in kennis van geactualiseerde gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met g.

  3. De commissaris van de Koning doet van het optreden van ernstige smog zo spoedig mogelijk mededeling aan het publiek door middel van radio en televisie of op een andere door de commissaris te bepalen wijze. De mededeling omvat de informatie, bedoeld in het eerste lid, en:

    1. een verwijzing naar het Longfonds, de GGD en het RIVM als bronnen van nadere informatie over smog; en

    2. voor zover van toepassing, gegevens over de belangrijkste bronsectoren die bijdragen aan de ernstige smog en aanbevelingen voor maatregelen om de emissies te verminderen.

  4. Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer naar redelijke verwachting van het RIVM ernstige smog dreigt te ontstaan.

Artikel 15.11

Artikel 15.10, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing wanneer naar redelijke verwachting van het RIVM het risico bestaat op overschrijding van de alarmeringswaarde voor ozon of PM10, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder a, respectievelijk artikel 15.2, vierde lid, onder a, of wanneer overschrijding van die alarmeringswaarde is vastgesteld.

Artikel 15.12

Gedeputeerde staten stellen voor de uitvoering van de artikelen 15.10, derde en vierde lid, en 15.11 een provinciaal draaiboek smog vast op basis van het Modeldraaiboek Smog.

Artikel 15.13

Op het geven van informatie of waarschuwingen bij een overschrijding of dreigende overschrijding van de alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden, bedoeld in artikel 15.3, is het Landelijk Draaiboek Hoogwater en Overstromingen van toepassing.

← terug naar Omgevingsregeling