Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt verstaan onder:
houden van landbouwhuisdieren: exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: landbouwhuisdieren waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
varkens, kippen, schapen of geiten;
als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
- 1°
rundvee tot 24 maanden;
- 2°
kalkoenen;
- 3°
eenden; of
- 4°
parelhoenders;
- 1°
landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: landbouwhuisdieren waarvoor bij ministeriële regeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld.