Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 3.5.1

Algemene bepalingen

Artikel 3.18

  1. Deze afdeling is van toepassing op het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  2. Bij de toepassing van deze afdeling worden geluidgevoelige gebouwen in aanmerking genomen die:

    1. zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; en

    2. geheel of gedeeltelijk in een geluidaandachtsgebied liggen.

  3. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van toepassing op het geluid:

    1. op een geluidgevoelig gebouw dat op een industrieterrein ligt; of

    2. op een niet-geluidgevoelige gevel.

  4. In afwijking van het tweede lid wordt een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar niet in aanmerking genomen.

Artikel 3.19

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip.

Artikel 3.20

  1. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde in Lden, bedoeld in tabel 3.34.

  2. Op het bepalen van het geluidaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.21

  1. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

    1. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

    2. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

    3. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

    4. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

  2. Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte van het gebouw geen geluidgevoelige ruimten toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is.

  3. Onder een geluidgevoelig gebouw wordt ook verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.

Artikel 3.22

  1. Een geluidgevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een:

    1. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie;

    2. onderwijsfunctie;

    3. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of

    4. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.

  2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, worden ruimten in woonschepen en woonwagens niet als geluidgevoelig beschouwd.

Artikel 3.23

Standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden:

  1. op een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen:

    1. op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw; en

    2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw;

  2. op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen, als het gaat om een woonschip of woonwagen; en

  3. in de geluidgevoelige ruimte, als het gaat om een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 3.24

  1. Bij het bepalen van het geluid door een weg of spoorweg wordt voor de geluideigenschappen van een wegdek of een spoorconstructie uitgegaan van de geluideigenschappen zoals die gemiddeld zijn gedurende de technische levensduur van dat wegdek of die spoorconstructie.

  2. Bij het bepalen van het geluid door een spoorweg wordt het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen:

    1. betrokken bij een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg; en

    2. niet betrokken bij een lokale spoorweg, tenzij die bij omgevingsverordening is aangewezen.

  3. Bij het bepalen van het geluid door een weg of spoorweg wordt het geluid door alle tot die geluidbronsoort behorende wegen of spoorwegen betrokken.

  4. Bij het bepalen van het geluid op een geluidreferentiepunt van een weg of spoorweg wordt een werk of bouwwerk betrokken als dit onderdeel is van de geluidbrongegevens behorende bij het geluidproductieplafond.

  5. Op het bepalen van het geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.25

  1. Als een geluidgevoelig gebouw ligt in het geluidaandachtsgebied van:

    1. één industrieterrein, wordt het geluid door dat industrieterrein betrokken bij het bepalen van het geluid op dat gebouw; en

    2. meerdere industrieterreinen, wordt het geluid door die industrieterreinen betrokken bij het bepalen van het geluid op dat gebouw.

  2. Bij het bepalen van het geluid op een geluidreferentiepunt van een industrieterrein worden betrokken:

    1. het geluid door alleen dat industrieterrein;

    2. werken of bouwwerken als deze onderdeel zijn van de geluidbrongegevens behorende bij het geluidproductieplafond; en

    3. het geluid door activiteiten, anders dan het wonen, die op het industrieterrein worden verricht en die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

  3. Bij het bepalen van het geluid door een industrieterrein wordt buiten beschouwing gelaten het geluid door:

    1. windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;

    2. activiteiten waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 30 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1, verminderd met 5 dB;

    3. het TT Circuit Assen en het Circuit Park Zandvoort gedurende ten hoogste 12 dagen per kalenderjaar;

    4. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg; en

    5. verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

  4. Op het bepalen van het geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

← terug naar Besluit kwaliteit leefomgeving