Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 8.5.2.4

Specifieke voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit – bodembescherming stortplaatsen, anders dan voor alleen baggerspecie

Artikel 8.44

Deze paragraaf is van toepassing op een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in de artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, anders dan:

  1. het exploiteren van een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort; en

  2. het exploiteren van een stortplaats waar:

    1. het storten van afvalstoffen is beëindigd voor 1 maart 1995; of

    2. op of na 1 maart 1995 alleen afvalstoffen worden gestort voor het aanbrengen van een bovenafdichting op die stortplaats en de gestorte hoeveelheid ten hoogste 0,3 m3 afvalstof per m2 stortoppervlakte bedraagt.

Artikel 8.45

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 8.46

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over de vakbekwaamheid en de opleiding van degene die de stortplaats exploiteert en de op de stortplaats werkzame personen.

Artikel 8.47

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het storten van afvalstoffen zo plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen na zetting van de bodem zich ten minste op de volgende afstand boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand bevinden:

    1. 0,7 m; of

    2. 0,5 m, als een capillair onderbrekende laag van grind van ten minste 0,2 m wordt aangebracht als onderdeel van de onderafdichting.

  2. Als het niet meer mogelijk is te voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, kunnen, in afwijking van dat lid, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden die inhouden dat civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen, die voldoende waarborgen dat het grondwater niet in contact kan komen met de gestorte afvalstoffen.

  3. De gemiddeld hoogste grondwaterstand is de rekenkundig gemiddelde grondwaterstand over ten minste acht achtereenvolgende jaren van de drie hoogste grondwaterstanden per hydrologisch jaar van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende kalenderjaar.

  4. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat op de plaats waar is of wordt gestort, een onderzoek wordt uitgevoerd naar de gevoeligheid van de bodem voor zettingen onder invloed van de stortplaats en de geohydrologische situatie.

  5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over:

    1. de onderafdichting, bedoeld in het eerste lid, onder b;

    2. het bepalen van de gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in het eerste lid; en

    3. de uitvoering van de onderzoeken, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 8.48

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat aan de onderkant van de gestorte afvalstoffen een onderafdichting aanwezig is, die tegengaat dat verontreinigende stoffen uit de gestorte afvalstoffen in de bodem komen.

  2. Als een onderafdichting onvoldoende bijdraagt aan de noodzakelijke bescherming van de bodem omdat er door de stortplaatsspecifieke geohydrologische situatie geen sprake is van een voldoende geohydrologische barrière van ten minste 0,5 m, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die inhouden dat civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen, die tegengaan dat verontreinigende stoffen uit de gestorte afvalstoffen in de bodem komen, die een adequaat beschermingsniveau waarborgen.

  3. Als een onderafdichting niet meer kan worden aangebracht, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die inhouden dat de daarin aangegeven civieltechnische of geohydrologische maatregelen moeten worden getroffen, die tegengaan dat verontreinigende stoffen zich uit de gestorte afvalstoffen in de bodem verspreiden.

  4. Als toepassing wordt gegeven aan het eerste, tweede of derde lid, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die inhouden dat zo spoedig als technisch mogelijk, maar uiterlijk na een in het voorschrift aangegeven periode van ten hoogste 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting, bedoeld in het eerste lid, of het treffen van de maatregelen, bedoeld in het tweede of derde lid, aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen een bovenafdichting wordt aangebracht die een adequaat beschermingsniveau waarborgt en tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.

  5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de eisen die worden gesteld aan de onderafdichting, bedoeld in het eerste lid, de civieltechnische of geohydrologische maatregelen, bedoeld in het tweede en derde lid, en de bovenafdichting, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 8.49

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat percolaat zo wordt opgevangen, verzameld en vervolgens gezuiverd of afgevoerd dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem.

Artikel 8.50

Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op een stortplaats waar afvalstoffen in de diepe ondergrond worden gebracht, worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die inhouden dat:

  1. voor zover van toepassing, de voorzieningen, bedoeld in bijlage A bij Beschikking 2003/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen, in overeenstemming met artikel 16 en bijlage II bij Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG 2003, L 11), worden getroffen;

  2. de afvalstoffen in de diepe ondergrond worden gebracht in overeenstemming met bijlage A bij de beschikking, bedoeld onder a; en

  3. ervoor wordt zorg gedragen dat op die stortplaats een rapport met een veiligheidsbeoordeling aanwezig is, die voldoet aan bijlage A, onder 2.5, bij de beschikking, bedoeld onder a.

Artikel 8.51

Als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.40c of 3.85 van het Besluit activiteiten leefomgeving betrekking heeft op het terugplaatsen van winningsafvalstoffen in een bij bovengrondse of ondergrondse winning ontstane uitgegraven ruimte met het doel het terrein te herstellen en weer geschikt te maken voor toekomstig gebruik, worden in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die inhouden dat degene die de winningsafvalstoffen terugplaatst, de passende maatregelen treft, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de richtlijn winningsafval.

Artikel 8.52

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:

    1. voorzieningen worden getroffen die voorkomen dat asbesthoudende afvalstoffen met andere afvalstoffen vermengd kunnen raken;

    2. asbesthoudende afvalstoffen die niet deugdelijk zijn verpakt, aan het einde van iedere werkdag zo worden afgedekt dat geen verspreiding van vezels kan plaatsvinden;

    3. asbesthoudende afvalstoffen die niet zijn verpakt of afgedekt zo vochtig worden gehouden, dat geen verspreiding van vezels kan plaatsvinden;

    4. het stortgebied van asbesthoudende afvalstoffen wordt afgedekt voorafgaand aan het betreden van die afvalstoffen met materieel;

    5. op de stortplaats geen andere activiteiten dan stortactiviteiten worden verricht waardoor asbestvezels uit de gestorte afvalstoffen kunnen vrijkomen;

    6. ervoor zorg wordt gedragen dat op de stortplaats een overzicht aanwezig is van plaatsen waar asbesthoudende afvalstoffen zijn gestort en gegevens aanwezig zijn waaruit blijkt hoe die plaatsen worden afgeschermd ter voorkoming van menselijk contact met asbesthoudende afvalstoffen;

    7. als een verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde lid, van de Wet milieubeheer is afgegeven: het overzicht, bedoeld onder f, wordt overgelegd; en

    8. als het gaat om een omgevingsvergunning voor een stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen: asbesthoudende afvalstoffen in een voor asbesthoudende afvalstoffen bestemd stortvak of deel daarvan met een bepaalde hoogte worden gestort.

  2. Het eerste lid geldt ook voor producten waarin asbest als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving is verwerkt en voor asbeststof.

Artikel 8.53

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:

    1. vanaf het tijdstip van opbouw van de stortplaats voorzieningen worden getroffen en toegepast om het uit de stortplaats vrijkomende stortgas op te vangen en te verwerken;

    2. het stortgas, bedoeld onder a, wordt benut of afgefakkeld; en

    3. de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot wordt gemeten.

  2. Als in de aanvraag is aangegeven dat het stortgas wordt afgefakkeld, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die inhouden dat de fakkelinstallatie voldoet aan de volgende eisen:

    1. de uittreedtemperatuur bedraagt ten minste 900°C;

    2. de verblijftijd van de verbrandingsgassen in de fakkel bedraagt ten minste 0,3 seconden; en

    3. de fakkel behoort tot het gesloten type.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op een fakkelinstallatie die alleen in gebruik is tijdens onderhoudsbeurten en storingen van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onder a.

  4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing als aan de hand van de samenstelling van de massa van het stortpakket genoegzaam kan worden aangetoond dat de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onder a, onvoldoende doelmatig zijn.

  5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de inhoud, de frequentie en de locatie van de metingen, bedoeld in het eerste lid, onder c.

Artikel 8.54

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het storten zo plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen en de voorzieningen die zijn getroffen op de stortplaats kunnen worden teruggenomen zonder ingrijpende aantasting van de bodem.

Artikel 8.55

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:

    1. een deugdelijk controlesysteem aanwezig is, waarmee de staat van de bodem kan worden onderzocht, bestaande uit:

      1. beneden de gemiddeld laagste grondwaterstand gelegen, horizontaal aangebrachte drainagebuizen; en

      2. bovenstrooms van de stortplaats ten minste een in het grondwater aangebrachte grondwaterbemonsteringsbuis en benedenstrooms ten minste twee grondwaterbemonsteringsbuizen; en

    2. de bemonstering en de vaststelling van de staat van de bodem voor elke drainagebuis of grondwaterbemonsteringsbuis afzonderlijk is uit te voeren.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat in de grondwaterbemonsteringsbuizen de grondwaterstand van de bodem op de locatie waar is of wordt gestort, wordt gemeten.

  3. In afwijking van het eerste lid worden, als de aanleg van voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, technisch niet mogelijk is, aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden, die inhouden dat een vergelijkbaar beschermingsniveau wordt verzekerd als die voorzieningen en dat een deugdelijk controlesysteem aanwezig is om de staat van de bodem te kunnen onderzoeken, bestaande uit:

    1. benedenstrooms van de stortplaats een in het voorschrift aan te geven aantal van ten minste twee in het grondwater aangebrachte grondwaterbemonsteringsbuizen; en

    2. bovenstrooms van de stortplaats ten minste een in het grondwater aangebrachte grondwaterbemonsteringsbuis.

  4. De gemiddeld laagste grondwaterstand is de rekenkundig gemiddelde grondwaterstand over ten minste acht achtereenvolgende jaren van de drie laagste grondwaterstanden per hydrologisch jaar van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende kalenderjaar.

  5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over:

    1. het bepalen van de gemiddeld laagste grondwaterstand, bedoeld in het eerste lid; en

    2. de frequentie waarmee en de wijze waarop de grondwaterstand, bedoeld in het tweede lid, wordt gemeten.

Artikel 8.56

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de hoeveelheid en de samenstelling van een in de omgeving van de stortplaats aanwezig oppervlaktewaterlichaam wordt bepaald respectievelijk bemonsterd.

  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de frequentie en de wijze van bepalen en bemonsteren van de oppervlaktewaterlichamen.

Artikel 8.57

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:

    1. een daarin aangegeven aantal malen per jaar wordt nagegaan of wordt voldaan aan de voorschriften die op grond van artikel 8.47 aan de omgevingsvergunning zijn verbonden;

    2. de bodembeschermende maatregelen die op de stortplaats zijn getroffen, worden geïnspecteerd; en

    3. onderzoek wordt gedaan naar de staat van de bodem onder de stortplaats.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de volgende resultaten ten minste eenmaal per jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden:

    1. de resultaten van de inspectie en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid;

    2. de resultaten van het bepalen en het bemonsteren van de hoeveelheid respectievelijk de samenstelling van de in de omgeving van de stortplaats aanwezige oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in artikel 8.56;

    3. de resultaten van de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot, bedoeld in artikel 8.53; en

    4. de resultaten van de metingen van het niveau en de samenstelling van het grondwater, bedoeld in de artikelen 8.47 en 8.55.

  3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over:

    1. de inspectie van de bodembeschermende maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder b; en

    2. het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in het eerste lid, onder c.

Artikel 8.57a

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een urgentieplan op hoofdlijnen wordt opgesteld.

  2. In het urgentieplan op hoofdlijnen wordt aangegeven:

    1. in welke gevallen en op welke wijze een interventiepunt wordt bepaald;

    2. op welke wijze wordt bepaald of een interventiepunt wordt bereikt;

    3. welke maatregelen moeten worden getroffen als het interventiepunt wordt bereikt, om verspreiding van de verontreinigende stoffen te voorkomen of de veroorzaakte bodemverontreiniging ongedaan te maken; en

    4. de termijn waarbinnen de maatregelen, bedoeld onder c, moeten worden getroffen.

  3. Het interventiepunt is het punt waarbij een significante verslechtering van de grondwaterkwaliteit optreedt.

  4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, voor zover dit geohydrologische maatregelen zijn.

Artikel 8.57b

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een voor de stortplaats bepaald interventiepunt is bereikt als:

    1. standaardwaarden worden overschreden; en

    2. de overschrijding, bedoeld onder a, is bevestigd.

  2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat in afwijking van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, het interventiepunt niet is bereikt als uit de bevestiging, bedoeld in het eerste lid, onder b, is gebleken dat de overschrijding niet wordt veroorzaakt door de stortplaats.

  3. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat referentiemeetpunten en controlemeetpunten worden vastgesteld.

  4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over:

    1. standaardwaarden als bedoeld in het eerste lid, onder a;

    2. de bevestiging, bedoeld in het eerste lid, onder b; en

    3. het vaststellen van de referentiemeetpunten en controlemeetpunten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 8.58

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als een voor de stortplaats bepaald interventiepunt wordt bereikt:

  1. de overschrijding onverwijld aan het bevoegd gezag wordt gemeld; en

  2. in overleg met het bevoegd gezag binnen een bepaalde periode een uitgewerkt urgentieplan wordt opgesteld op basis van het urgentieplan op hoofdlijnen, bedoeld in artikel 8.57a, eerste lid.

Artikel 8.59

  1. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:

    1. voordat voor de eerste keer wordt gestort, daarna en onverwijld nadat een bovenafdichting als bedoeld in artikel 8.48 is aangebracht:

      1. wordt nagegaan of wordt voldaan aan de voorschriften die op grond van artikel 8.47 aan de omgevingsvergunning zijn verbonden;

      2. de bodembeschermende maatregelen die op de stortplaats zijn getroffen, worden geïnspecteerd en gekeurd;

      3. de technische staat van die maatregelen wordt onderzocht;

      4. het percolaat wordt geanalyseerd; en

      5. onderzoek wordt gedaan naar de staat van de bodem onder de stortplaats;

    2. de resultaten van de keuring, het onderzoek en de analyse zo worden gepresenteerd dat duidelijk inzicht wordt gegeven in de beheersbaarheid van de situatie;

    3. de resultaten van de keuring, het onderzoek en de analyse zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag worden gezonden; en

    4. de resultaten van de keuring, het onderzoek en de analyse gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard.

  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over:

    1. de wijze waarop en de frequentie waarmee de inspectie, de keuring, het onderzoek en de analyse, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 4°, plaatsvinden; en

    2. het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 5°.

Artikel 8.59a

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse van de monsters van het grondwater, het percolaat en het oppervlaktewater plaatsvinden volgens de actuele stand van de techniek.

Artikel 8.60

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:

  1. de bodembeschermende maatregelen die op de stortplaats zijn getroffen, in goede staat van onderhoud worden gehouden en zo nodig worden hersteld; en

  2. als herstel niet mogelijk is, vervangende maatregelen worden getroffen, die tegengaan dat het grondwater met de gestorte afvalstoffen in contact komt.

Artikel 8.61

Aan een omgevingsvergunning kunnen, in afwijking van de artikelen 8.46 tot en met 8.60, voorschriften met strengere voorwaarden worden verbonden dan bedoeld in die artikelen als:

  1. de stortplaats ligt in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, onder b;

  2. de stortplaats ligt op een locatie met een diepe grondwaterstand, een hoge stroomsnelheid van het grondwater of een dik watervoerend pakket;

  3. de stortplaats ligt in een gebied dat met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu, het beschermen van de bodem of ter voorkoming van ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid vanwege het gebruik van de bodem, in het omgevingsplan is aangewezen; of

  4. in verband met de aard van de afvalstoffen een bijzonder risico bestaat dat het storten van die stoffen nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van de bodem.

Artikel 8.62

Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in de artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen worden gestort, worden voorschriften verbonden die inhouden dat de voorschriften die op grond van de artikelen 8.48, vierde lid, 8.49, 8.57 tot en met 8.57b, 8.59, 8.59a en 8.60 aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, nadat de omgevingsvergunning haar geldigheid heeft verloren, nog van kracht blijven totdat de stortplaats op grond van artikel 8.47 van de Wet milieubeheer gesloten is verklaard.

← terug naar Besluit kwaliteit leefomgeving