Besluit kwaliteit leefomgeving

Inhoud

Artikel 8.74q

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 11-07-2026.
Deze versie geldt vanaf 11-07-2026.
  1. De in een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, 11.38, eerste lid, 11.39, eerste lid, of 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorgeschreven methoden of installaties voor het vangen of doden van vogels kunnen alleen zijn:

    1. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van het gebruik maken van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen;

    2. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld onder a;

    3. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels;

    4. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt;

    5. het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij op grond van een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel wordt gehandeld in afwijking van de in de artikelen 11.76, 11.79, 11.80 en 11.83 van het Besluit activiteiten leefomgeving gestelde eisen met betrekking tot:

      1. de omvang van het jachtveld;

      2. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of een ander instrument om in de nacht te schieten;

      3. de munitie; of

      4. het gebruik van het geweer:

        1. i

          voor zonsopgang of na zonsondergang;

        2. ii

          binnen de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a, of terreinen die onmiddellijk aan de bebouwingscontour grenzen;

        3. iii

          binnen de afpalingskring van een eendenkooi;

        4. iv

          vanaf of vanuit een rijdend voertuig; of

        5. v

          vanuit een luchtvaartuig;

    6. het doden door middel van cervicale dislocatie; en

    7. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer.

  2. Een vergunningvoorschrift dat betrekking heeft op het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels, kan alleen betrekking hebben op levende lokvogels, als:

    1. het eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen betreft die worden gebruikt voor het vangen van eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen met vangkooien, kastvallen of vangnetten;

    2. de vogels zijn gefokt;

    3. de vangkooien en kastvallen zodanig zijn vervaardigd dat in de kooi of val geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en het te vangen dier;

    4. de vogels niet verminkt of blind zijn; en

    5. de vogels beschikken over voldoende voedsel, water, lucht, beschutting en bewegingsruimte.

  3. Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het gebruik van de methode van cervicale dislocatie wordt als voorschrift verbonden dat het gebruik van deze methode alleen is toegestaan:

    1. voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels van een omvang kleiner dan of gelijk aan eenden;

    2. door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze activiteit humaan en doeltreffend te verrichten; en

    3. als er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het dier.

11-07-2026 Huidig 01-07-2026 Historisch 29-05-2026 Historisch 31-01-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 30-12-2025 Historisch 20-09-2025 Historisch 01-07-2025 Historisch 21-12-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2024.

Tekst van deze versie

  1. De in een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, 11.38, eerste lid, 11.39, eerste lid, of 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorgeschreven methoden of installaties voor het vangen of doden van vogels kunnen alleen zijn:

    1. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van het gebruik maken van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen;

    2. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld onder a;

    3. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels;

    4. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt;

    5. het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij op grond van een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel wordt gehandeld in afwijking van de in de artikelen 11.76, 11.79, 11.80 en 11.83 van het Besluit activiteiten leefomgeving gestelde eisen met betrekking tot:

      1. de omvang van het jachtveld;

      2. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of een ander instrument om in de nacht te schieten;

      3. de munitie; of

      4. het gebruik van het geweer:

        1. i

          voor zonsopgang of na zonsondergang;

        2. ii

          binnen de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a, of terreinen die onmiddellijk aan de bebouwingscontour grenzen;

        3. iii

          binnen de afpalingskring van een eendenkooi;

        4. iv

          vanaf of vanuit een rijdend voertuig; of

        5. v

          vanuit een luchtvaartuig;

    6. het doden door middel van cervicale dislocatie; en

    7. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer.

  2. Een vergunningvoorschrift dat betrekking heeft op het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels, kan alleen betrekking hebben op levende lokvogels, als:

    1. het eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen betreft die worden gebruikt voor het vangen van eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen met vangkooien, kastvallen of vangnetten;

    2. de vogels zijn gefokt;

    3. de vangkooien en kastvallen zodanig zijn vervaardigd dat in de kooi of val geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en het te vangen dier;

    4. de vogels niet verminkt of blind zijn; en

    5. de vogels beschikken over voldoende voedsel, water, lucht, beschutting en bewegingsruimte.

  3. Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het gebruik van de methode van cervicale dislocatie wordt als voorschrift verbonden dat het gebruik van deze methode alleen is toegestaan:

    1. voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels van een omvang kleiner dan of gelijk aan eenden;

    2. door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze activiteit humaan en doeltreffend te verrichten; en

    3. als er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het dier.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Besluit kwaliteit leefomgeving