Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 3.7.2

Natura 2000-gebieden

Artikel 3.58

  1. Een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet bevat instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval:

    1. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de vogelrichtlijn; of

    2. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de habitatrichtlijn.

  2. In het besluit wordt de geometrische begrenzing van het gebied vastgelegd.

Artikel 3.59

  1. Het provinciebestuur of, in de gevallen, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, van de wet, Onze in artikel 3.62 aangewezen Minister, draagt zorg voor het treffen van de voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied of het onder zijn taak vallende gedeelte daarvan nodige:

    1. instandhoudingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; en

    2. passende maatregelen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

  2. Tot de instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen kunnen behoren:

    1. een besluit om de toegang tot het Natura 2000-gebied op grond van artikel 2.45, eerste lid, van de wet te beperken of te verbieden;

    2. feitelijke handelingen als bedoeld in artikel 10.10b van de wet; en

    3. het in en rondom het Natura 2000-gebied aanbrengen van de nodige kentekenen die de aanwijzing als Natura 2000-gebied en de rechtsgevolgen daarvan kenbaar maken.

Artikel 3.60

  1. De toegang tot een Natura 2000-gebied wordt niet op grond van artikel 2.45, eerste lid, van de wet beperkt of verboden voor de eigenaar van een in het gebied gelegen onroerende zaak en voor degene die een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht heeft, voor zover door de beperking of het verbod de toegang tot de onroerende zaak ernstig zou worden belemmerd.

  2. In een besluit om de toegang tot een Natura 2000-gebied te beperken of te verbieden wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van het gebied waarvoor de beperking of het verbod geldt.

Artikel 3.61

Als een compenserende maatregel als bedoeld in artikel 8.74b, tweede lid, onder c, of 10.24, tweede lid, onder c, voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, zorgt Onze Minister voor Natuur en Stikstof ervoor dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.

Artikel 3.62

De zorg voor het nemen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden of gedeelten daarvan als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 2°, van de wet berust bij:

  1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat een oppervlaktewaterlichaam is dat is aangewezen in bijlage II, onder 1, bij het Omgevingsbesluit;

  2. Onze Minister van Defensie, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat voor militaire doeleinden wordt gebruikt;

  3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof:

    1. voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan die, genoemd onder a en b; of

    2. als het gaat om de maatregelen, bedoeld in artikel 2.45, eerste lid, van de wet, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.

← terug naar Besluit kwaliteit leefomgeving