Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 11.2.3

Waterkwaliteit

Artikel 11.27

Door monitoring worden bewaakt:

  1. de toestand per kwaliteitselement van een kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam, uitgewerkt voor het type krw-oppervlaktewaterlichaam;

  2. de stoffen op de aandachtstoffenlijst, bedoeld in artikel 8 ter, eerste lid, van de richtlijn prioritaire stoffen;

  3. de indicatoren die een mogelijke bedreiging vormen voor de kwaliteit van water uit krw-oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen dat wordt onttrokken voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water, en de parameters, stoffen en verontreinigende stoffen, bedoeld in de artikelen 8, tweede en vierde lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn;

  4. de tendensen over de concentraties van stoffen in grondwaterlichamen;

  5. escherichia coli of andere indicatoren in schelpdierwater;

  6. de concentraties van verontreinigende stoffen uit bestaande verontreinigingspluimen in een grondwaterlichaam waarvoor aanvullende trendbeoordelingen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de grondwaterrichtlijn nodig zijn; en

  7. de parameters nodig voor monitoring voor nader onderzoek in gevallen als bedoeld in bijlage V, onder 1.3.3, bij de kaderrichtlijn water.

Artikel 11.27a

  1. Door monitoring wordt bewaakt de concentratie van lood in collectieve leidingnetten en woninginstallaties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet voor zover het gaat om:

    1. woonfuncties voor gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang;

    2. bijeenkomstfuncties voor kinderopvang; en

    3. onderwijsfuncties voor basisonderwijs.

  2. Het eerste lid is van toepassing als uit de algemene analyse van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 3.15b, specifieke risico’s voor de drinkwaterkwaliteit en de gezondheid van de mens van de parameter lood zijn vastgesteld.

  3. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stellen een monitoringsprogramma vast dat de methode van monitoring bevat.

  4. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.28

  1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een monitoringsprogramma kaderrichtlijn water vast.

  2. Het monitoringsprogramma bevat de methode van monitoring van:

    1. de toestand van een waterlichaam per stof en kwaliteitselement voor de beoordeling van de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid; en

    2. de andere parameters, bedoeld in artikel 11.27.

  3. Voor de uitwerking van de methode van monitoring van de parameters, bedoeld in artikel 11.27, onder f en g, wordt het monitoringsprogramma vastgesteld door:

    1. voor krw-oppervlaktewaterlichamen: de bestuursorganen die op grond van de artikelen 4.2, eerste lid, onder a, en 4.4, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit bevoegd zijn een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verlenen; en

    2. voor grondwaterlichamen: gedeputeerde staten.

Artikel 11.29

  1. Met het monitoringsprogramma wordt beoogd een samenhangend totaalbeeld te verkrijgen van de watertoestand binnen het Nederlandse deel van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems.

  2. In het monitoringsprogramma worden:

    1. de monitoringspunten aangewezen; en

    2. de indicatoren, bedoeld in artikel 11.27, onder c en e, uitgewerkt, en de stoffen, bedoeld in artikel 11.27, onder d, aangeduid.

  3. Het monitoringsprogramma bevat de methode van:

    1. de beoordeling of voor een kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid;

    2. de beoordeling of aan het einde van de programmaperiode de doelstelling van geen achteruitgang van de toestand van een waterlichaam, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, gedurende de programmaperiode wordt bereikt;

    3. de beoordeling of de doelstelling van ombuiging van significante en stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, wordt bereikt;

    4. de beoordeling of de doelstelling van geen bacteriële besmetting van schelpdierwater, bedoeld in artikel 4.19, wordt bereikt; en

    5. de beoordeling of de doelstellingen van verbetering en de doelstelling van geen achteruitgang van de kwaliteit van waterlichamen met betrekking tot waterwinlocaties, bedoeld in artikel 4.21, worden bereikt.

  4. Het monitoringsprogramma wordt vastgesteld in overeenstemming met de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn, de drinkwaterrichtlijn, de richtlijn prioritaire stoffen en richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van de Europese Unie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 201).

Artikel 11.30

  1. Het monitoringsprogramma bevat de methode van:

    1. vaststelling van de toestandsklasse waarin een waterlichaam zich bevindt, per stof en kwaliteitselement; en

    2. indeling van een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam in een toestandsklasse, waarbij de indeling in een toestandsklasse overeenkomt met:

      1. bij een krw-oppervlaktewaterlichaam: de laagste toestandsklasse waarin de chemische toestand, de ecologische toestand of het ecologische potentieel verkeert; en

      2. bij een grondwaterlichaam: de laagste toestandsklasse waarin de kwantitatieve toestand of de chemische toestand verkeert.

  2. Het monitoringsprogramma voorziet bij de vaststelling en indeling, bedoeld in het eerste lid, in de volgende toestandsklassen:

    1. voor een krw-oppervlaktewaterlichaam:

      1. voor de chemische toestand: een goede chemische toestand en geen goede chemische toestand;

      2. voor de ecologische toestand: een zeer goede ecologische toestand, een goede ecologische toestand, een matige ecologische toestand, een ontoereikende ecologische toestand en een slechte ecologische toestand; en

      3. voor het ecologische potentieel: een goed ecologisch potentieel, een matig ecologisch potentieel, een ontoereikend ecologisch potentieel en een slecht ecologisch potentieel; en

    2. voor een grondwaterlichaam:

      1. voor de kwantitatieve toestand: een goede kwantitatieve toestand en een ontoereikende kwantitatieve toestand; en

      2. voor de chemische toestand: een goede chemische toestand en een ontoereikende chemische toestand.

Artikel 11.31

Het monitoringsprogramma bevat eisen aan de verstrekking van de monitoringsresultaten en de beoordeling daarvan door het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en aan de verstrekking van de monitoringsresultaten en overige informatie en gegevens als bedoeld in de artikelen 8, vijfde lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn door de genoemde bestuursorganen aan drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet.

Artikel 11.32

Het monitoringsprogramma wordt getoetst en zo nodig bijgesteld als niet wordt voldaan aan een omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, of 2.15, eerste lid, of als een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12 of een doelstelling als bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, 4.17, eerste lid, 4.19 of 4.21 niet wordt bereikt.

Artikel 11.33

  1. De bestuursorganen die op grond van de artikelen 4.2, eerste lid, onder a, en 4.4, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit bevoegd zijn een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verlenen, zijn belast met de uitvoering van de monitoring volgens het monitoringsprogramma voor krw-oppervlaktewaterlichamen.

  2. Gedeputeerde staten zijn belast met de uitvoering van de monitoring volgens het monitoringsprogramma voor grondwaterlichamen.

Artikel 11.34

Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten, Onze Minister voor Natuur en Stikstof en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen als gegevens de beschermde gebieden, bedoeld in bijlage IV bij de kaderrichtlijn water, voor zover die beschermde gebieden bij hen in beheer zijn. Voor beschermde gebieden die zijn aangewezen voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water vindt de gegevensverzameling mede plaats overeenkomstig de artikelen 8, tweede lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn.

Artikel 11.35

Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen de benodigde gegevens voor het opstellen van stroomgebiedsbeheerplannen, bedoeld in artikel 4.6, voor de watersystemen die bij hen in beheer zijn.

Artikel 11.36

  1. Het gemeentebestuur verzamelt de benodigde gegevens voor de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, voor zover het gaat om de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater.

  2. Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen de benodigde gegevens voor de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, voor de watersystemen die bij hen in beheer zijn.

  3. De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, verrichten de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, voor hun aandeel.

Artikel 11.37

Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen gegevens over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, 4.4, derde lid, aanhef en onder a, 4.10, derde lid, aanhef en onder a, en 6.1, voor de watersystemen die bij hen in beheer zijn.

Artikel 11.38

  1. Door monitoring wordt bewaakt de milieutoestand van de Nederlandse mariene wateren.

  2. Monitoring vindt plaats door metingen, bemonsteringen, tellen of het op andere wijze verzamelen van gegevens.

  3. Ter voorbereiding van het programma van maatregelen mariene strategie en ter uitvoering van het eerste en tweede lid stelt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister voor Natuur en Stikstof, het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn mariene strategie, vast.

  4. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister voor Natuur en Stikstof, is belast met de uitvoering van de monitoring.

Artikel 11.39

Het bevoegd gezag dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk verzamelt gegevens over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib.

Artikel 11.40

  1. Er zijn een of meer registers van de beschermde gebieden, bedoeld in artikel 11.34.

  2. Het register wordt of de registers worden beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met artikel 6 van de kaderrichtlijn water.

  3. Het register wordt voortdurend geactualiseerd.

Artikel 11.41

Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stellen een verslag op over de resultaten van de monitoring van de andere parameters voor waterkwaliteit, bedoeld in artikel 11.27.

Artikel 11.42

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een verslag op over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib, bedoeld in artikel 11.39, die door het bevoegd gezag dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk op grond van artikel 10.35, eerste lid, van het Omgevingsbesluit zijn verstrekt.

← terug naar Besluit kwaliteit leefomgeving