Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 5.1.4.6

Geur

Artikel 5.90

  1. Paragraaf 5.1.4.6 is van toepassing op het toelaten:

    1. op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of

    2. van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

  2. In afwijking van het eerste lid is paragraaf 5.1.4.6, met uitzondering van artikel 5.92, niet van toepassing als het gaat om de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van minder dan tien jaar.

Artikel 5.91

  1. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

    1. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

    2. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

    3. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

    4. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

  2. Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als bedoeld in dat lid als het omgevingsplan in dat gedeelte niet toelaat een:

    1. woonfunctie;

    2. onderwijsfunctie;

    3. gezondheidszorgfunctie met bedgebied;

    4. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied;

    5. bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een woonfunctie; of

    6. bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een gezondheidszorgfunctie met bedgebied.

  3. Onder een geurgevoelig gebouw wordt ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.

  4. Het omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

  5. In het omgevingsplan kan paragraaf 5.1.4.6 overeenkomstig worden toegepast op locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Artikel 5.92

  1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

  2. Een omgevingsplan voorziet erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

Artikel 5.93

  1. Een omgevingsplan bepaalt dat de waarden voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden:

    1. op de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw;

    2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en

    3. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen, op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.

  2. Een omgevingsplan kan, in afwijking van wat op grond van het eerste lid in het omgevingsplan is opgenomen, bepalen dat de waarden voor de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen gelden op een locatie die dichter bij de activiteit is gelegen dan de gevel, bedoeld in het eerste lid, onder a, de locatie, bedoeld in het eerste lid, onder b, of de begrenzing, bedoeld in het eerste lid, onder c.

  3. Een omgevingsplan dat door toepassing van artikel 5.91, vijfde lid, waarden bevat voor de geur door een activiteit op een locatie, bepaalt dat die waarden gelden op de grens van de locatie.

Artikel 5.94

  1. Afstanden die in een omgevingsplan in acht moeten worden genomen of die een omgevingsplan bevat vanwege de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen gelden:

    1. tot de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw;

    2. tot de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en

    3. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen, tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.

  2. Afstanden die in een omgevingsplan door toepassing van artikel 5.91, vijfde lid, in acht moeten worden genomen of die een omgevingsplan door toepassing van artikel 5.91, vijfde lid, bevat vanwege de geur door een activiteit op een locatie, gelden tot de grens van de locatie.

Artikel 5.95

  1. Als een omgevingsplan waarden of afstanden bevat voor geur door een activiteit, bepaalt het omgevingsplan dat die waarden of afstanden niet van toepassing zijn op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

  2. De afstanden, bedoeld in de subparagrafen 5.1.4.6.3 en 5.1.4.6.4, zijn niet van toepassing als het geurgevoelige gebouw een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 5.96

  1. Als een omgevingsplan waarden of afstanden bevat voor geur door een activiteit:

    1. in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. verricht op een bedrijventerrein; of

    3. in de horecasector,

    kan het omgevingsplan bepalen dat die waarden of afstanden niet van toepassing zijn op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit.

  2. De afstanden, bedoeld in de subparagrafen 5.1.4.6.3 en 5.1.4.6.4, kunnen buiten toepassing worden gelaten als het gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, en het geurgevoelige gebouw eerder functioneel verbonden was met die activiteit.

Artikel 5.97

  1. Een omgevingsplan dat regels bevat op grond van subparagraaf 5.1.4.6.2, 5.1.4.6.3 of 5.1.4.6.4, wijst een of meer bebouwingscontouren geur aan. In het omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing van een bebouwingscontour geur vastgelegd.

  2. Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid wijst een bebouwingscontour geur aan rond stedelijk gebied.

  3. In afwijking van het tweede lid kan stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen.

Artikel 5.98

Deze subparagraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.99

  1. Aan artikel 5.92, tweede lid, wordt voldaan als toepassing wordt gegeven aan artikel 5.100, eerste lid.

  2. In afwijking van het eerste lid kan aan artikel 5.92, tweede lid, worden voldaan door toepassing te geven aan artikel 5.100, tweede lid, 5.101, 5.102 of 5.103.

Artikel 5.100

  1. Een omgevingsplan dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk toelaat, bevat als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.100.1.

  2. Als het gaat om geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, kan een omgevingsplan een waarde bevatten die hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in het eerste lid, mits die waarde niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.100.2.

  3. Op het berekenen van de geur waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in het eerste lid of in afwijking daarvan een hogere of lagere waarde bevat, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 5.101

Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie, een waarde bevatten die lager is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 5.100, eerste of tweede lid.

Artikel 5.102

Een omgevingsplan kan, als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen, een waarde bevatten die hoger is dan de voor het zuiveringtechnische werk geldende grenswaarden, bedoeld in artikel 5.100, eerste of tweede lid.

Artikel 5.103

Een omgevingsplan dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk toelaat, bepaalt dat de waarden die op grond van de artikelen 5.100, eerste en tweede lid, 5.101 en 5.102 in het omgevingsplan zijn opgenomen en de afstanden of andere regels die, in voorkomend geval, in aanvulling op die waarden in het omgevingsplan zijn opgenomen voor de geur door die activiteit, niet van toepassing zijn op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was op geurgevoelige gebouwen die:

  1. op het moment van verlening van de omgevingsvergunning, bedoeld in de aanhef, niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gebouwd; of

  2. in de omgevingsvergunning, bedoeld in de aanhef, niet als geurgevoelig werden beschouwd.

Artikel 5.104

Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  1. houden van landbouwhuisdieren: exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  2. landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: landbouwhuisdieren waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

    1. varkens, kippen, schapen of geiten;

    2. als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

      1. rundvee tot 24 maanden;

      2. kalkoenen;

      3. eenden; of

      4. parelhoenders;

  3. landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: landbouwhuisdieren waarvoor bij ministeriële regeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld.

Artikel 5.105

Deze subparagraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf.

Artikel 5.106

  1. Aan artikel 5.92, tweede lid, wordt voor de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor voldaan als toepassing wordt gegeven aan:

    1. artikel 5.109, eerste lid, 5.109a, 5.110 of 5.111; en

    2. artikel 5.116.

  2. Aan artikel 5.92, tweede lid, wordt ook voldaan door een afstand aan te houden die kleiner is dan de op grond van artikel 5.116 in acht te nemen afstand tussen een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan toegelaten activiteit en een voorafgaand aan die wijziging toegelaten geurgevoelig gebouw, als het omgevingsplan bepaalt dat op die locatie:

    1. de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen; en

    2. het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan aan artikel 5.92, tweede lid, worden voldaan door toepassing te geven aan artikel 5.109, tweede of derde lid, of 5.117.

Artikel 5.106a

  1. Aan artikel 5.92, tweede lid, wordt voor de geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor voldaan als toepassing wordt gegeven aan:

    1. artikel 5.112, eerste lid, of 5.115; en

    2. artikel 5.116.

  2. Aan artikel 5.92, tweede lid, wordt ook voldaan door een afstand aan te houden die kleiner is dan de op grond van artikel 5.112, tweede lid, 5.115 of 5.116 in acht te nemen afstand tussen een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan toegelaten activiteit en een voorafgaand aan die wijziging toegelaten geurgevoelig gebouw, als het omgevingsplan bepaalt dat op die locatie het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan aan artikel 5.92, tweede lid, worden voldaan door toepassing te geven aan artikel 5.112, tweede of derde lid, of 5.117.

Artikel 5.107

Een afstand als bedoeld in deze subparagraaf geldt vanaf het emissiepunt, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.108

  1. Een concentratiegebied is in ieder geval gebied I en gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet.

  2. Een omgevingsplan kan een concentratiegebied aanwijzen. In dat geval wordt de geometrische begrenzing van een concentratiegebied in het omgevingsplan vastgelegd.

Artikel 5.109

  1. Een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor toelaat, bevat als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.109.1.

  2. Het omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde, mits die waarde niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.109.2.

  3. Als sprake is van een geurgevoelig gebouw dat heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan, kan het omgevingsplan een hogere waarde bevatten dan de grenswaarde, bedoeld in het tweede lid.

  4. Op het berekenen van de geur waarvoor het omgevingsplan een waarde bevat als bedoeld in het eerste lid, of in afwijking daarvan een waarde die hoger of lager is dan die waarde, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 5.109a

  1. Als een omgevingsplan op grond van artikel 5.109 voor een locatie een waarde bevat die lager is dan de waarde die gold onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan en de geur op die locatie op dat tijdstip rechtmatig meer bedraagt dan die lagere waarde, bepaalt het omgevingsplan dat die lagere waarde niet van toepassing is als op die locatie de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt.

  2. Het eerste lid geldt ook als het omgevingsplan voor een locatie op grond van artikel 5.109 een waarde bevat die hoger is dan de waarde die gold onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan en de geur op die locatie op dat tijdstip rechtmatig meer bedraagt dan die hogere waarde.

  3. Voor gevallen als bedoeld in het eerste en tweede lid bepaalt het omgevingsplan dat uitbreiding van een dierenverblijf met landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of van het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor alleen is toegestaan, als:

    1. een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en

    2. de totale geur na uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de in het omgevingsplan opgenomen waarde en de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

Artikel 5.110

De artikelen 5.109, eerste en tweede lid, en 5.109a zijn niet van toepassing als in een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor toelaat, voor een locatie ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.110, in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen:

  1. een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; of

  2. een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan.

Tabel 5.110 Afstand tot een geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Geurgevoelig gebouw met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur

100 m

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur

50 m

Artikel 5.111

De artikelen 5.109, eerste en tweede lid, en 5.109a zijn niet van toepassing als in een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor toelaat, voor een locatie ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.111, in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen:

  1. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    1. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;

    2. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en

    3. in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  2. een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd.

Tabel 5.111 Afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Ruimte-voor-ruimtewoning

Afstand

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur

100 m

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur

50 m

Artikel 5.112

  1. In een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor toelaat, wordt tot een geurgevoelig gebouw ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.112.1, in acht genomen.

  2. In het omgevingsplan kan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de afstand, bedoeld in het eerste lid, mits die afstand niet kleiner is dan de ondergrens voor de afstand, bedoeld in tabel 5.112.2.

  3. Als sprake is van een geurgevoelig gebouw dat heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan, kan in het omgevingsplan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de ondergrens voor de afstand, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 5.113

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 5.114

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 5.115

In afwijking van artikel 5.112 wordt in een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor toelaat, ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.115, in acht genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen:

  1. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    1. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;

    2. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en

    3. in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  2. een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd.

Tabel 5.115 Afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

Ruimte-voor-ruimtewoning

Afstand

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur

100 m

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur

50 m

Artikel 5.116

  1. Onverminderd de artikelen 5.109 tot en met 5.115 wordt in een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren toelaat, tot een geurgevoelig gebouw ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.116, in acht genomen.

  2. In afwijking van artikel 5.107 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

Artikel 5.117

Als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen, kan in afwijking van:

  1. artikel 5.109, tweede lid, een omgevingsplan een hogere waarde bevatten dan de grenswaarde, bedoeld in dat lid; of

  2. artikel 5.110, 5.112, tweede lid, of 5.116, eerste lid, in een omgevingsplan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de afstand, bedoeld in die bepalingen.

Artikel 5.118

  1. Aan artikel 5.92, tweede lid, wordt voldaan als toepassing wordt gegeven aan artikel 5.120, tweede lid, 5.121, tweede lid, 5.122, tweede lid, 5.123, tweede lid, 5.124, tweede lid, 5.125, tweede lid, of 5.126, tweede lid.

  2. In afwijking van het eerste lid kan aan artikel 5.92, tweede lid, worden voldaan door toepassing te geven aan artikel 5.127.

Artikel 5.119

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400.

Artikel 5.120

  1. Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    1. het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    3. het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    4. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    5. het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. In een omgevingsplan dat het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten hoogste 600 m3, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 4.835 van het Besluit activiteiten leefomgeving, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt vanaf de opslagplaats ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.120, in acht genomen.

Artikel 5.121

  1. Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    1. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    3. het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    4. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. In een omgevingsplan dat het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in artikel 4.848 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt vanaf de opslagplaats ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.121, in acht genomen.

Artikel 5.122

  1. Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    1. het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    2. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. In een omgevingsplan dat het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 4.841 van het Besluit activiteiten leefomgeving, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt vanaf de opslagplaats ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.122, in acht genomen.

  3. Het tweede lid geldt niet voor in plastic folie verpakte veevoederbalen.

Artikel 5.123

  1. Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    1. het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    3. het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. In een omgevingsplan dat het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in artikel 4.855 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijk volume van ten hoogste 2.500 m3, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden vanaf het mestbassin ten minste de afstanden, bedoeld in tabel 5.123, in acht genomen.

Artikel 5.124

  1. Dit artikel is van toepassing op het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. In een omgevingsplan dat een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een capaciteit van ten hoogste 25.000 m3 per jaar aan dierlijke meststoffen, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt vanaf de voorziening ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.124, in acht genomen.

Artikel 5.125

  1. Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    1. het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    2. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    3. het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    4. het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    5. het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    6. het voor onderhoud van de openbare ruimte opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen, bedoeld in artikel 3.250 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. In een omgevingsplan dat het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Besluit activiteiten leefomgeving, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt tot een geurgevoelig gebouw ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.125, in acht genomen. De afstand geldt vanaf de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval.

Artikel 5.126

  1. Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest of champost, bedoeld in artikel 5.120, het opslaan van substraatmateriaal, bedoeld in artikel 5.121, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 5.122, en het composteren van groenafval, bedoeld in artikel 5.125, als:

    1. de afstand tussen een activiteit als bedoeld in het eerste lid en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 5.120, tweede lid, 5.121, tweede lid, 5.122, tweede lid, of 5.125, tweede lid;

    2. het opslaan of composteren al voor 1 januari 2013 plaatsvond; en

    3. verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  2. Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in artikel 5.123, eerste lid, als:

    1. de afstand tussen een activiteit als bedoeld in het eerste lid en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 5.123, tweede lid;

    2. het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    3. verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  3. In een omgevingsplan dat een activiteit als bedoeld in het eerste of tweede lid toelaat:

    1. wordt de rechtmatig kleinere afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, in acht genomen; en

    2. wordt bepaald dat maatregelen of voorzieningen worden getroffen die ertoe leiden dat de geur aanvaardbaar is.

Artikel 5.127

In een omgevingsplan kan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de afstand, bedoeld in artikel 5.120, tweede lid, 5.121, tweede lid, 5.122, tweede lid, 5.123, tweede lid, 5.124, tweede lid, of 5.125, tweede lid.

← terug naar Besluit kwaliteit leefomgeving