-
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk in ieder geval intrekken in verband met:
een doelmatig beheer van afvalstoffen; of
het niet treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid als bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, onder b, van de wet.
-
Het bevoegd gezag geeft alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid als niet kan worden volstaan met wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning.
-
Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt rekening gehouden met:
het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer; of
de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5 van die wet.
Inhoud
Artikel 8.102
Tekst van deze versie
-
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk in ieder geval intrekken in verband met:
een doelmatig beheer van afvalstoffen; of
het niet treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid als bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, onder b, van de wet.
-
Het bevoegd gezag geeft alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid als niet kan worden volstaan met wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning.
-
Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt rekening gehouden met:
het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer; of
de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5 van die wet.
Nog geen automatische verwijzingen.