Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 3

Wijze van toepassing hoofdstuk 3

Artikel 11.33

  1. Aan een school is een medezeggenschapsraad verbonden.

  2. De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit ten minste vier leden.

  3. De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit leden die:

    1. uit en door het personeel worden gekozen; en

    2. deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen worden gekozen.

  4. De aantallen leden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a en onderdeel b, zijn aan elkaar gelijk. Ook zijn de aantallen leden die worden gekozen uit en door de ouders en uit en door de leerlingen aan elkaar gelijk. Indien niet aan de tweede volzin kan worden voldaan, omdat onvoldoende ouders dan wel leerlingen bereid zijn lid te worden, kan de plaats die niet door de desbetreffende groep kan worden vervuld, worden toegedeeld aan de andere groep.

  5. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen wordt gekozen, kunnen worden gesteld door ouders of leerlingen en door organisaties van ouders of leerlingen.

Artikel 11.34

  1. Indien het bevoegd gezag personeel heeft benoemd of te werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht voor meer dan één school, kan een medezeggenschapsraad worden ingesteld die bestaat uit leden die uit en door dat personeel worden gekozen. De medezeggenschapsraad bestaat in dat geval uit ten minste twee leden.

  2. Personen die deel uitmaken van het bevoegd gezag, kunnen geen lid zijn van de medezeggenschapsraad.

  3. Een personeelslid dat is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de medezeggenschapsraad kan niet ook lid zijn van de medezeggenschapsraad.

Artikel 11.35

  1. De verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad gebeurt bij geheime schriftelijke stemming.

  2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven over de periode waarin de verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad plaatsvindt.

  3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de leden van de medezeggenschapsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun relatie met het bevoegd gezag tot de school. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op kandidaat-leden en voormalige leden.

  4. De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een lid van het personeel mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de medezeggenschapsraad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met de eerste volzin is nietig.

  5. De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of diens plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Artikel 11.36

  1. Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken.

  2. Het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad komen bijeen indien daartoe een gemotiveerd verzoek wordt gedaan door het bevoegd gezag, de vertegenwoordigers van ouders, de vertegenwoordigers van leerlingen of de vertegenwoordigers van personeel. De besprekingen kunnen namens het bevoegd gezag worden gevoerd.

Artikel 11.37

  1. In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, en 3.10, tweede lid, kunnen een openbare rechtspersoon of een stichting voor openbaar onderwijs niet door meer dan door één openbaar lichaam worden ingesteld.

  2. In afwijking van artikel 3.22, derde lid, is van een situatie als bedoeld in dat lid, onderdeel a, sprake indien één van de betrokken scholen of scholengemeenschappen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door zestig of minder leerlingen boven de opheffingsnorm, bedoeld in artikel 11.53.

Artikel 11.38

De artikelen 3.29 tot en met 3.32 zijn niet van toepassing.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020