Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 1

Algemeen

Artikel 7.1

  1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:

    1. benoemen: tewerkstellen zonder benoeming;

    2. benoeming: tewerkstelling zonder benoeming;

    3. vak: combinatie van vakken.

  2. De artikelen 7.34, 7.35, 7.37, 7.37a en 11.89a zijn niet van toepassing op personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan een school.

Artikel 7.2

  1. Aan een school zijn leraren verbonden.

  2. Aan het hoofd van een school voor vwo staat een rector en aan het hoofd van andere scholen een directeur. Zij worden bijgestaan door conrectoren respectievelijk adjunct-directeuren, die hen bij afwezigheid vervangen.

  3. Het overige personeel heeft tot taak het onderwijs te ondersteunen.

  4. Een of meer leden van het personeel worden belast met de taak van schooldecaan.

  5. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school.

Artikel 7.3

  1. Om te kunnen worden benoemd, overlegt ieder personeelslid van de school voorafgaand aan zijn benoeming een verklaring omtrent het gedrag. Deze verklaring is op het moment van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder dan 26 weken.

  2. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat met lesgevende of onderwijsondersteunende taken geen personeelsleden worden belast die van die werkzaamheden zijn uitgesloten op grond van een rechterlijke uitspraak.

Artikel 7.3.a

  1. Het bevoegd gezag bewaart een afschrift van de verklaring omtrent het gedrag van een persoon die:

    1. werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder; en

    2. werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces en die plaatsvinden:

      1. in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd; of

      2. onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

  2. Het bevoegd gezag bewaart het afschrift, bedoeld in het eerste lid, gedurende het schooljaar waarin de werkzaamheden worden verricht.

  3. Het bevoegd gezag controleert ieder schooljaar voorafgaand aan de eerste keer dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, werkzaamheden verricht of de verklaring omtrent het gedrag waarvan een afschrift wordt verstrekt niet ouder is dan zes maanden.

Artikel 7.4

  1. Het bevoegd gezag kan aan het hoofd van een school die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels een centrale directie plaatsen.

  2. De centrale directie bestaat uit ten hoogste vijf leden en omvat ten hoogste drie volledige formatieplaatsen. Het bevoegd gezag benoemt een van de leden als voorzitter.

  3. De centrale directie leidt namens het bevoegd gezag de voorbereiding en uitvoering van het schoolbeleid, de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken en het beheer van de school.

  4. Artikel 7.2, tweede lid, is niet van toepassing op een school met een centrale directie.

Artikel 7.5

  1. Het bevoegd gezag kan wettelijke taken en bevoegdheden overdragen aan de rector, de directeur of de centrale directie van de school.

  2. De rector of de directeur kunnen de wettelijke taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en eigen wettelijke taken en bevoegdheden overdragen aan elkaar of aan de conrectoren of adjunct-directeuren.

Artikel 7.6

  1. Het bevoegd gezag stelt een managementstatuut vast, na overleg met de rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren of de centrale directie.

  2. Het managementstatuut bevat:

    1. een regeling van de bevoegdheden van de rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren of de centrale directie, over de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging;

    2. de wettelijke taken en bevoegdheden die het bevoegd gezag of de wettelijke taken en bevoegdheden waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat de rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren of de centrale directie deze namens het bevoegd gezag kunnen uitoefenen, en instructies voor de uitoefening daarvan.

    3. de wettelijke taken en bevoegdheden die het bevoegd gezag heeft overgedragen aan de rector, de directeur of de centrale directie;

    4. de taken en bevoegdheden die de rector, de directeur of de centrale directie aan elkaar of aan conrectoren of adjunct-directeuren hebben overgedragen; en

    5. de richtlijnen voor de uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden.

  3. Het bevoegd gezag stelt het managementstatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk na de vaststelling op een voor eenieder toegankelijke wijze beschikbaar.

Artikel 7.7

Het bevoegd gezag streeft evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities na.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020