Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 2

Bekostigingsplafond; programma huisvestingsvoorzieningen; overzicht

Artikel 6.3

  1. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hem te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de huisvestingsvoorzieningen voor:

    1. basisscholen als bedoeld in artikel 1 WPO;

    2. speciale scholen voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 WPO;

    3. scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en

    4. scholen.

  2. Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de scholen, bedoeld in het eerste lid, op het grondgebied van de gemeente.

Artikel 6.4

  1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school kan bij het college van burgermeester en wethouders een aanvraag indienen voor het opnemen van die voorziening in het programma, bedoeld in artikel 6.5.

  2. Het college van burgemeester en wethouders kan voor huisvestingsvoorzieningen bekostiging verstrekken voor de kosten van bouwvoorbereiding.

  3. Het college van burgemeester en wethouders stelt vast voor welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend en welke voorwaarden gelden.

  4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de door de gemeente in stand gehouden scholen.

Artikel 6.5

  1. Het college van burgemeester en wethouders stelt, na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op het grondgebied van de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een programma als bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 6.3.

  2. Het programma omvat de huisvestingsvoorzieningen die in het jaar na de vaststelling van het programma voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen en de huisvestingsvoorzieningen die nodig zijn voor door de gemeente in stand gehouden scholen.

  3. Het college van burgemeester en wethouders neemt uitsluitend huisvestingsvoorzieningen in het programma op, voor zover:

    1. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden gemaakt dan wel de voorziening wordt gerealiseerd; en

    2. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 6.10, van toepassing is.

  4. Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 6.3, niet toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, onderdeel c.

  5. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten.

  6. Het college van burgemeester en wethouders kan aan opname in het programma voorwaarden verbinden over ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.

  7. Het college van burgemeester en wethouders neemt bij de vaststelling van het programma de criteria, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, onderdeel c, in acht.

  8. Tijdens het overleg, bedoeld in het eerste lid, kan het college van burgemeester en wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan het college van burgemeester en wethouders. Het advies wordt gelijktijdig met het programma bekend gemaakt.

  9. Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treedt het college van burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, deelt het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat het niet kan instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van uitvoering.

Artikel 6.6

Het college van burgemeester en wethouders stelt gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 6.5, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een overzicht vast van die huisvestingsvoorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de die voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid.

Artikel 6.7

Het college van burgemeester en wethouders stelt geen programma als bedoeld in artikel 6.5 en geen overzicht als bedoeld in artikel 6.6 vast, indien geen huisvestingsvoorziening nodig is noch een aanvraag is ingediend voor scholen als bedoeld in artikel 6.3.

Artikel 6.8

  1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een huisvestingsvoorziening wenst die niet in het programma, bedoeld in artikel 6.5, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag voor bekostiging van die voorziening in bij het college van burgemeester en wethouders.

  2. Het besluit kan een gedeelte van de gewenste huisvestingsvoorziening dan wel een andere huisvestingsvoorziening dan gewenst omvatten. Het college van burgemeester en wethouders wijst de aanvraag af, indien:

    1. het besluit over de huisvestingsvoorziening kan worden opgenomen in het eerstvolgende programma; of

    2. een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is.

Artikel 6.9

  1. Het college van burgemeester en wethouders besluit met ingang van welk tijdstip in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma, bedoeld in artikel 6.5, de bekostiging van een huisvestingsvoorziening die in het programma is opgenomen, daadwerkelijk een aanvang kan nemen, onverminderd artikel 6.11.

  2. De aanspraak op bekostiging van een huisvestingsvoorziening vervalt, indien niet binnen een in de verordening op basis van artikel 6.12 te bepalen termijn na het besluit, bedoeld in het eerste lid, voorde huisvestingsvoorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.

Artikel 6.10

  1. Het college van burgemeester en wethouders weigert een huisvestingsvoorziening in het programma, bedoeld in artikel 6.5, op te nemen, indien:

    1. de gewenste huisvestingsvoorziening geen voorziening is als bedoeld in artikel 6.2;

    2. de gewenste huisvestingsvoorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, onderdeel b;

    3. de gewenste huisvestingsvoorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen, met inachtneming van artikel 6.12, eerste lid, onderdelen c en d;

    4. op andere wijze dan is gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt;

    5. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 6.3, niet toereikend is voor de te verstrekken huisvestingsvoorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel; of

    6. de gewenste huisvestingsvoorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d niet noodzakelijk is.

  2. Het college van burgemeester en wethouders weigert ook een huisvestingsvoorziening in het programma, bedoeld in artikel 6.5, op te nemen, indien de huisvestingsvoorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.

Artikel 6.11

De huisvestingsvoorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 6.5, zijn opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip, bedoeld in artikel 6.9:

  1. is voldaan aan het bij of krachtens de wet bepaalde; en

  2. de feiten en de omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte van de feiten en de omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma niet ingrijpend zijn gewijzigd.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020