Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 5

Vaststellen, verstrekken en betalen

Artikel 5.32

Onze Minister stelt jaarlijks de bekostiging vast waarop het bevoegd gezag over een kalenderjaar aanspraak heeft.

Artikel 5.33

  1. Op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, artikel 5.15, eerste lid, en artikel 5.32, brengt Onze Minister een bedrag in mindering in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en een bedrag in verband met uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de vaststelling van dit bedrag. Deze regels kunnen daarbij voorzien in:

    1. onderscheid in verband met de datum waarop gewezen personeel is ontslagen;

    2. onderscheid in verband met de beslissing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006; en

    3. verdeling van de kosten, bedoeld in het eerste lid, over enerzijds de bevoegde gezagsorganen gezamenlijk en anderzijds afzonderlijke bevoegde gezagsorganen en samenwerkingsverbanden, waarbij de scholen of scholengemeenschappen die onderdeel zijn van een verticale scholengemeenschap hiervan kunnen worden uitgezonderd.

  3. Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister op zijn verzoek het burgerservicenummer van een gewezen personeelslid van de school.

  4. Onze Minister kan het burgerservicenummer van een persoon die behoort tot gewezen personeel als bedoeld in het eerste lid, uitsluitend in het kader van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid gebruiken in het verkeer met:

    1. het bevoegd gezag van de school waar deze persoon werkzaam was; of

    2. de instantie die de uitkeringen verstrekt of heeft verstrekt.

Artikel 5.34

  1. Op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.32, eerste lid, brengt Onze Minister in mindering de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop personeel aanspraak maakt dat benoemd is aan de school en:

    1. langer dan twee jaar anders dan wegens vervanging of in geval van leraren indien de benoeming berust op de artikelen 7.14 juncto 7.13 onafgebroken, met een onderbreking van een week of minder dan wel met een of meer onderbrekingen gedurende een schoolvakantie, in een gelijksoortige functie in tijdelijke dienst verbonden is geweest aan een school van het bevoegd gezag; of

    2. langer dan drie jaar direct of indirect in verband met het verrichten van contractactiviteiten in tijdelijke dienst is benoemd.

  2. De termijn van twee jaar, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, kan bij een of meer ziekteperioden van langer dan vier weken met deze ziekteperioden worden verlengd.

  3. Bij ministeriële regeling wordt geregeld in welke gevallen geen vermindering plaatsvindt.

  4. Onze Minister kan projecten aanwijzen waarop het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing is.

  5. Onze Minister brengt ook op de bekostiging in mindering:

    1. de inkomsten van het bevoegd gezag uit cursusgelden als bedoeld in de Les- en cursusgeldwet;

    2. de inkomsten van het bevoegd gezag uit verhaal van wettelijk verschuldigde bedragen en premies;

    3. de waarde van roerende zaken die door vervreemding of op andere wijze worden onttrokken aan de bestemming waarvoor zij met de bekostiging zijn aangeschaft, welke waarde wordt vastgesteld door Onze Minister; en

    4. de opbrengst van werkstukken en van diensten die niet worden verricht in het kader van contractactiviteiten.

Artikel 5.35

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verlening van voorschotten op de bekostiging of onderdelen daarvan.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor het verrekenen van de betaalde voorschotten met het bedrag van de vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan.

Artikel 5.36

Onze Minister is bevoegd om:

  1. vorderingen die het bevoegd gezag op grond van deze wet heeft op Onze Minister, te verrekenen met vorderingen die Onze Minister op grond van een andere wet heeft op dat bevoegd gezag; en

  2. vorderingen die Onze Minister op grond van deze wet heeft op het bevoegd gezag, te verrekenen met vorderingen die dat bevoegd gezag op grond van een andere wet heeft op Onze Minister.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020