Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 7

Fusies

Artikel 3.28

  1. Een rechtspersoon die een openbare school, een openbare school als bedoeld in de WPO of de WEC of een openbare instelling als bedoeld in de WEB of de WHW in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die tot deze instandhouding bevoegd is.

  2. Een rechtspersoon die een bijzondere school, een bijzondere school als bedoeld in de WPO of in de WEC of een bijzondere instelling als bedoeld in de WEB of in de WHW in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 4.1, tweede lid.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het een overdracht van de instandhouding betreft van:

    1. een openbare school aan:

      1. een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.4 die is ingesteld door één gemeenteraad; of

      2. een stichting als bedoeld in artikel 3.10 die is opgericht door één gemeente;

    2. een bijzondere school aan een verkrijgende rechtspersoon in het kader van een splitsing van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 3.29

Een rechtspersoon kan twee of meer scholen of scholengemeenschappen, die hij in stand houdt, samenvoegen tot een school of scholengemeenschap.

Artikel 3.30

  1. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 3.31 wordt verstaan onder fusie: een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 3.28 of een institutionele fusie als bedoeld in artikel 3.29.

  2. Een fusie wordt alleen na instemming van Onze Minister tot stand gebracht.

  3. Onze Minister kan aan een fusie instemming onthouden, indien als gevolg van de fusie:

    1. de variatie van het onderwijsaanbod, waaronder schoolsoort, binnen de gemeenten waarin de leerlingen van de te fuseren scholen of rechtspersonen woonachtig zijn significant wordt belemmerd; of

    2. het aandeel per schoolsoort van de bij de fusie betrokken scholen in het aantal leerlingen in de gemeenten waarin de leerlingen van die scholen woonachtig zijn, een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage overschrijdt.

  4. Onze Minister kan aan een institutionele fusie bovendien instemming onthouden indien de percentages leerlingen die zijn betrokken bij de fusie lager zijn dan de percentages, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid.

  5. Onze Minister vraagt een onafhankelijke adviescommissie advies over het verlenen van de instemming, tenzij de noodzaak daarvoor ontbreekt. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over wanneer dit laatste het geval is.

  6. Onze Minister stelt beleidsregels vast over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid.

  7. Instemming van Onze Minister is niet vereist:

    1. voor de bestuursoverdracht en institutionele fusie die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van de samenwerkingsschool, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid;

    2. voor een fusie waarbij een school voor praktijkonderwijs is betrokken, voor zover het die school betreft.

Artikel 3.31

  1. De rechtspersoon dient of de rechtspersonen samen dienen een aanvraag in bij Onze Minister voor de instemming met de fusie. De aanvraag gaat vergezeld van:

    1. een door de rechtspersoon of rechtspersonen opgestelde fusie-effectrapportage, en

    2. een schriftelijke verklaring van instemming met de fusie van de medezeggenschapsraden of de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden, of

    3. een uitspraak van de geschillencommissie als bedoeld in artikel 31, derde lid, WMS, of een uitspraak van de Ondernemingskamer als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van die wet.

  2. Een aanvraag geldt ook als een aanvraag om voor bekostiging in aanmerking te komen als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid.

  3. De fusie-effectrapportage bevat in elk geval een weergave van:

    1. de motieven voor de fusie;

    2. de alternatieven voor de fusie;

    3. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd;

    4. de met de fusie te bereiken doelen;

    5. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de effecten van de fusie op de spreiding en omvang van de rechtspersonen en vestigingen van scholen in de gemeenten waarin de huidige leerlingen van die scholen woonachtig zijn, en op de onderwijskundige en bestuurlijke diversiteit van het onderwijsaanbod in de betrokken gemeenten;

    6. de financiële en personele gevolgen en de gevolgen voor leerlingen en hun ouders van de fusie, waaronder begrepen de gevolgen voor de voorzieningen;

    7. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd;

    8. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd;

    9. een advies van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten over de wenselijkheid van de fusie.

  4. Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld.

Artikel 3.32

  1. Onze Minister beslist binnen dertien weken op een aanvraag. De termijn kan met ten hoogste dertien weken worden verlengd. Onze Minister stelt de aanvrager hiervan voorafgaand aan de verlenging in kennis.

  2. Paragraaf 4.1.3.3 Awb is van toepassing.

Artikel 3.33

  1. De bestuursoverdracht vindt plaats bij notariële akte. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich ook om de rechten inzake gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt ook als akte van levering, bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

  2. Bij de akte verbindt de verkrijgende rechtspersoon zich ook om het personeel in gelijke betrekkingen te benoemen met ingang van de datum van overdracht.

  3. Door de overdracht treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle rechten en verplichtingen van de overdragende rechtspersoon met betrekking tot de school die uit de wet voortvloeien, onverminderd wat verder nog voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.

  4. Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken.

  5. Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 335 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES van een rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, bepaalt de splitsingsakte dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de school in stand zal houden of aan welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de school wordt overgedragen. In het laatste geval zijn het eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020